Neem een eerste systeem met oorsprong O en eenheidsvectoren OE1 en OE2.
Een punt P heeft coordinaten (x,y) ten opzichte van dat coordinaten systeem.
Neem een nieuw systeem met oorsprong O' en eenheidsvectoren O'E1' en O'E2'.
P heeft coordinaten (x',y') ten opzichte van dat nieuw coordinaten systeem.
We zoeken de transformatieformules tussen (x,y) en (x',y').
OP = OO' + O'P
<=>
P = O' + x' O'E1' + y' O'E2'
<=>
P = O' + x'(E1' - O') + y' (E2' - O')
<=>
met coordinaten vinden we
(x,y) = (xo,yo) + x'((a1,b1) - (xo,yo)) + y'((a2,b2) - (xo,yo))
<=>
x = xo + (a1 - xo)x' + (a2 - xo)y'
y = yo + (b1 - yo)x' + (b2 - yo)y'
met matrix notatie wordt dit
<=>
[x] [(a1 - xo) (a2 - xo)] [x'] [xo]
= +
[y] [(b1 - yo) (b2 - yo)] [y'] [yo]
[x/z] [(a1 - xo) (a2 - xo)] [x'/z'] [xo]
= +
[y/z] [(b1 - yo) (b2 - yo)] [y'/z'] [yo]
<=>
[x/z] [(a1 - xo) (a2 - xo) xo] [x'/z']
[y/z] = [(b1 - yo) (b2 - yo)] yo].[y'/z']
[ 1 ] [ 0 0 1] [ 1 ]
<=>
[ x ] [(a1 - xo) (a2 - xo) xo] [ x' ]
[ y ] = [(b1 - yo) (b2 - yo)] yo].[ y' ]
[ z ] [ 0 0 1] [ z' ]
[(a1 - xo) (a2 - xo) xo]
Noem M = [(b1 - yo) (b2 - yo)] yo] dan
[ 0 0 1]
[ x ] [ x' ]
[ y ] = M.[ y' ]
[ z ] [ z' ]
De 3x3 matrix M noemen we de transformatie matrix.
[1 0 xo]
M = [0 1 yo]
[0 0 1]
[cos(t) -sin(t) 0]
M = [sin(t) cos(t) 0]
[ 0 0 1]
Een rechte met vergelijking u x + v y + w z = 0
We schrijven die vergelijking in matrix vorm
[x]
[u v w].[y] = 0
[z]
Dit is de voorwaarde waaraan de oude coordinaten van een veranderlijk punt
van de rechte moeten voldoen.
Gebruik makend van vorige formules is dit equivalent met
[x']
[u v w]. M. [y'] = 0
[z']
Dit is de voorwaarde waaraan de nieuwe coordinaten van een veranderlijk punt
van de rechte moeten voldoen.
We noemen nu [u v w]. M = [u' v' w']
De voorwaarde voor de nieuwe coordinaten van een veranderlijk punt
van de rechte wordt
[x']
[u' v' w'].[y'] = 0
[z']
<=>
u' x' + v' y' + w' z'= 0
Dit is de vergelijking van de lijn in het nieuw coordinaten systeem.
[u v w]. M = [u' v' w']
Het gevolg is dat alle punten nieuwe coordinaten krijgen.
Zo'n lineaire permutatie noemen we een projectieve coordinatentransformatie.
Men kan aantonen dat de transformatie formules geschreven kunnen worden in de vorm
[x] [a b c] [x']
[y] = [d e f].[y']
[z] [g h i] [z']
De transformatie matrix M moet regulier zijn.
Als we uit deze coordinatentransformaties juist deze uitkiezen met de eigenschap
dat z=0 in z=0 getransformeerd wordt, dan zeggen we dat
die uitgekozen coordinatentransformaties affien zijn.
Voor deze uitgekozen transformaties zullen de punten met homogene coordinaten
(x,y,0) nieuwe coordinaten verkrijgen van de vorm (x',y',0).
Deze punten heten de oneigenlijke punten van het affiene vlak.
De formules worden
[x] [a b c] [x']
[y] = [d e f].[y']
[z] [0 0 i] [z']
Als we uit de verzameling affiene coordinatentransformaties, juist deze nemen
welke ons toelaten een formule voor de afstand tussen twee punten op te stellen
zodat die formule invariant is voor deze transformaties,
dan zeggen we dat die gevonden transformaties metrische coordinatentransformaties zijn.
Men kan aantonen dat elke metrische coordinatentransformatie een samenstelling is
van een eindig aantal translaties, rotaties en spiegelingen om een rechte door de
oorsprong.
De metrische coordinatentransformaties vormen een deel van de affiene coordinatentransformaties.
De affiene coordinatentransformaties vormen een deel van de projectieve coordinatentransformaties.
Maar je kan het ook anders bekijken.
We transformeren de punten van het vlak in andere punten met de transformatie T -1 en we houden het coordinaten systeem vast. Zo'n transformatie is een punttransformatie.
Voorbeeld:
Als we het assenstelsel draaien, om O, over een hoek t dan krijgt het vaste punt P(x,y,z) andere coordinaten P(x',y',z').
[ x ] [ x' ]
[ y ] = M.[ y' ]
[ z ] [ z' ]
met
[cos(t) -sin(t) 0]
M = [sin(t) cos(t) 0]
[ 0 0 1]
Als we het punt P draaien, om O, over een hoek -t in een vast assenstelsel dan wordt
P(x,y,z) getransformeerd in het andere punt Q(x',y',z')
[ x ] [ x' ]
[ y ] = M-1.[ y' ]
[ z ] [ z' ]
met
[cos(t) -sin(t) 0]
M = [sin(t) cos(t) 0]
[ 0 0 1]
We kunnen dit laatste ook als volgt schrijven
[ x' ] [ x ]
[ y' ] = M [ y ]
[ z' ] [ z ]
met
[cos(t) -sin(t) 0]
M = [sin(t) cos(t) 0]
[ 0 0 1]
Veralgemening:
De coordinatentransformatie X = M X' is gelijkwaardig met de punttransformatie X' = M X.
Over welke hoek moeten we punt P(2,3) om O wentelen zodat het beeldpunt Q op de rechte 2x+3y+1=0 komt?
We wentelen P over een hoek t om O.
[x'] [cos(t) -sin(t) 0] [2]
[y'] = [sin(t) cos(t) 0] [3]
[1 ] [ 0 0 1] [1]
<=>
x' = 2 cos(t) - 3 sin(t)
y' = 2 sin(t) + 3 cos(t)
Dit gewentelde punt Q ligt op 2 x + 3 y + 1 = 0
<=>
4 cos(t) - 6 sin(t) + 6 sin(t) + 9 cos(t) +1 = 0
<=>
cos(t) = -1/13
<=>
cos(t) = cos(1.65)
<=>
t = ± 1.65 + 2 k pi
Nu nemen we de formules
[x'] [x]
[y'] = M .[y] met M = een reguliere 3 x 3 matrix.
[z'] [z]
Dit definieert een bijectie (permutatie) tussen de punten van het vlak.
[a b c]
[d e f]
[0 0 i]
De oneigenlijke punten worden getransformeerd in oneigenlijke punten.
De projectieve eigenschappen vormen een deel van de affiene eigenschappen.
De affiene eigenschappen vormen een deel van de metrische eigenschappen.
Met metrisch assenstelsel bedoelen we een orthonormale basis in het vlak.
In dit geval kunnen twee punten willekeurig gekozen worden (Bijvoorbeeld de oorsprong en het punt (1,0,1)).
Door deze punten is het coordinatenstelsel volledig bepaald.
Door deze 2 punten oordeelkundig te kiezen, kan het probleem dikwijls op eenvoudige manier opgelost worden
Met een affien assenstelsel bedoelen we een willekeurige basis in het vlak.
In dit geval kunnen drie punten (0,0,1) (1,0,1) en (0,1,1) willekeurig maar niet collineair gekozen worden.
Door deze punten is het coordinatenstelsel volledig bepaald.
Door deze 3 punten oordeelkundig te kiezen, kan het probleem dikwijls op eenvoudige manier opgelost worden
Met een projectief coordinatensysteem bedoelen we dat we vier punten kunnen kiezen.
Eerst drie niet collineaire punten: (0,0,1) (0,1,0) and (1,0,0).
Deze punten zijn de hoekpunten van de gronddriehoek.
Verder kiezen we nog een zogenaamd eenheidspunt (1,1,1).
Dit punt mag willekeurig gekozen worden maar niet op de zijlijnen van de gronddriehoek.
Door de keuze van deze vier punten is het coordinatensysteem volledig bepaald.
Door deze 4 punten oordeelkundig te kiezen, kan het probleem dikwijls op eenvoudige manier opgelost worden
Omdat al dit vorige heel eigenaardig kan overkomen zonder voorbeelden, zullen we nu zeven voorbeelden behandelen. Vier voorbeelden omtrent het projectief vlak en drie voorbeelden over het affien vlak.
We zoeken de voorwaarde opdat l1, l2 en l3 concurrent zouden zijn.
We merken op dat er in dit vraagstuk enkel projectieve begrippen voorkomen.
Met de bedoeling een eenvoudige oplossing te vinden kiezen we
A als punt (1,0,0) ; B als punt (0,1,0) ; C als punt (0,0,1)
De rechte a heeft dan vergelijking x=0 ; b heeft vergelijking y=0 en c heeft z=0.
Een variabele rechte l1 door C heeft vergelijking x + k y = 0.
Een variabele rechte l2 door A heeft vergelijking y + l z = 0.
Een variabele rechte l" door B heeft vergelijking z + m x = 0.
k,l en m zijn niet homogene parameters.
Welnu, l1,l2 en l3 zijn concurrent als en slechts als
| 1 k 0 |
| 0 1 l | = 0
| m 0 1 |
<=>
1 + k l m = 0
<=>
k l m = -1
Dit resultaat is onafhankelijk van de keuze van het coordinatensysteem.
Deze eigenschap staat bekend als de Stelling van CEVA voor concurrente rechten.
We zoeken de voorwaarde opdat L1, L2 and L3 collineair zouden zijn.
We merken op dat er in dit vraagstuk enkel projectieve begrippen voorkomen.
Met de bedoeling een eenvoudige oplossing te vinden kiezen we
A als punt (1,0,0) ; B als punt (0,1,0) ; C als punt (0,0,1)
Dan is, L1(1,k,0) L2(0,1,l) L3(m,0,1)
Welnu,
L1, L2 en L3 zijn collineair
<=>
| 1 k 0 |
| 0 1 l | = 0
| m 0 1 |
<=>
1 + k l m = 0
<=>
k l m = -1
Dit resultaat is onafhankelijk van de keuze van het coordinatensysteem.
Deze eigenschap staat bekend als de Stelling van Menelaus voor collineaire punten.
Bewijs:
Noem S het snijpunt van d1 en d2.
We kiezen:
S(1,0,0) ; A4(0,1,0) ; A1(0,0,1)
Dan
d1: y = 0 en d2: z = 0
A5(1,0,l) A3(1,0,l') A2(1,m,0) A6(1,m',0)
A1A2: m x - y = 0
A4A5: l x - z = 0
=> P(1,m,l)
A1A6: m' x - y = 0
A3A4: l' x - z = 0
=> R(1,m',l')
A5A6: -l m' x + l y + m' z = 0
A2A3: -l'm x + l'y + m z = 0
=> Q(lm-l'm' , lmm' - l'mm' , ll'm - ll'm')
P,Q,R zijn collineair want
| 1 m l |
| 1 m' l' | = 0
|lm-l'm' lmm' - l'mm' ll'm - ll'm' |
De rechte PQR wordt de Pascal-lijn genoemd.
Bewijs:
We kiezen gronddriehoek en eenheidspunt: A(1,0,0) ; B(0,1,0) ; C(0,0,1) ; S(1,1,1)
Verder nog de punten :
A' op rechte SA => A'(1+l,1,1)
B' op rechte BS => B'(1,1+m,1)
C' op rechte SC => C'(1,1,1+n)
K is het snijpunt van BC en B'C'.
Rechte BC heeft vergelijking x = 0. Dus, het eerste coordinaatgetal van K is 0.
Daar K op B'C' ligt, zijn de coordinaten van K een lineaire combinatie van
(1,1+m,1) en (1,1,1+n). Dus de coordinaten van K zijn (0,m,-n).
Op analoge wijze vinden we L(l,0,-n) en M(l,-m,0).
K,L,M zijn collineair want
| 0 m -n |
| l 0 -n | = 0
| l -m 0 |
We zien dat het probleem eenvoudig is opgelost dank zij de goede keuze van het coordinaten systeem.
We bewijzen de volgende eigenschap omtrent deelverhoudingen :
(A B L1).(B C L2).(C A L3) = 1 <=> L1, L2, L3 zijn collineair
Bewijs:
In dit vraagstuk komen enkel affiene eigenschappen voor, We kiezen
voor de drie punten eenvoudige coordinaten.
A(0,0,1) ; B(1,0,1) ; C(0,1,1)
We noteren de deelverhoudingen als : (A B L1) = k ; (B C L2) = l ; (C A L3) = m
Dan zijn de homogene coordinaten van L1, L2 en L3 respectievelijk
L1(-k,0,1-k) ; L2(1,-l,1-l) ; L3(0,1,1-m)
L1, L2, L3 are collineair
<=>
| -k 0 1-k |
| 1 -l 1-l | = 0
| 0 1 1-m |
<=>
...
<=>
k l m = 1
We bewijzen de volgende eigenschap omtrent deelverhoudingen :
(A B L1).(B C L2).(C A L3) = - 1 <=> l1, l2, l3 zijn concurrent.
Bewijs:
In dit vraagstuk komen enkel affiene eigenschappen voor, We kiezen
A(0,0,1) ; B(1,0,1) ; C(0,1,1)
We noteren de deelverhoudingen als: (A B L1) = k ; (B C L2) = l ; (C A L3) = m
De homogene coordinaten van de punten L1, L2 and L3 zijn dan
L1(-k,0,1-k) ; L2(1,-l,1-l) ; L3(0,1,1-m)
Voor de homogene lijncoordinaten van de rechten l1, l2 and l3 vinden we
na berekening
l1 (1-k , -k, k )
l2 ( l , 1 , 0 )
l3 (-1 ,m-1, 1 )
l1, l2, l3 are concurrent
<=>
| 1-k -k k |
| l 1 0 | = 0
| -1 m-1 1 |
<=>
...
<=>
klm = -1
Bewijs:
Noem het snijpunt van die zwaartelijn en de rechte BC het punt A'.
Daar B'C' evenwijdig is met BC hebben we
B'A C'A
--- = ---
B'B C'C
<=>
B'A C'C
--- . --- = 1
B'B C'A
<=>
(A B B').(C A C') = 1
Daar AA' de zwaartelijn is hebben we ook
A'B
--- = -1
A'C
<=>
(B C A') = -1
Uit beide resultaten volgt dat
(A B B').(B C A').(C A C') = -1
en met Ceva weten we dat hieruit volgt : AA', BC' en CB' zijn concurrent.