![]() |
Wugi's
Brusselse Spraute
Welkom op de siete van 's Neerlands schoonste dialect ! Guido "Wugi" Wuyts Dilbeek, Belgium, Europe, World, Solar System, Milky Way, Local Cluster, ... |
| @
3 Taalzaak
@ 2 Denkzaak @ 1 Smaakzaak @ 0 Wugi's hoom |
|
|
Er zijn allicht zoveel spellingen als interpretanten. Nu zullen die wel niet allemaal zoveel van elkaar schelen. De systematiek is moeilijk omdat het dialect zelf veel plastischer, veelvormiger, is dan de standaardtaal: hetzelfde woord kan verschillende vormen aannemen, volgens zijn omgeving.
Ik probeer volgende vuistregels te volgen.
De h is altijd stom. Zij komt overeen met die van Nederlandse h-woorden, en van pas om homoniemen te onderscheiden: ik hem 'm = ik heb hem, ik haa aa aa(ve) boeke nog = ik had je oude boeken nog.
Er bestaan korte open klinkers:
wa = wat, da
= dat,
ni = niet, no
= naar,
me = met, menu
(De korte e komt onder twee variëteiten
voor, een open, zoals bed, en een gesloten, zoals een korte zee. Maar hetzelfde
woord kan beide variëteiten soms dragen en er is geen betekenisonderscheid,
dus hier geen spellingsverschillen - wel, je kan de open
e
desgewenst en occasioneel als é verduidelijken.
Bovendien heb je nog de doffe sjwa. Dus voor Brussels als voor Nederlands
is de e een ambiguë speller...)
Dan zijn er nog korte, meestal gesloten, klanken waar geen klinker
meer voor "vrij" is:
een korte oe als in boek,
koek, koesj = koets/auto,
voesj = voort(s)
; en
een korte, sjwa- of ö-achtige (maar van woordkernen deel uitmakende)
eu
als in veu = voor, keut = kort, weur/weut
= word(t),
heum = hem.
Dus moeten lange open klinkers dubbel, of digrafisch, gespeld
worden:
aa = uw of oude,
naa
= nu of nauwe,
hee = hier, goo
= goed,
noe = na, veu
= vuur.
De tweeklanken -(o)uw, -au/ou(w) worden tot -aa(f/ve):
raa = rauw, daave
= d(o)uwen,
haave = houden.
Haavd
aa vast!
Een "aparte" lange klinker is de open o, een Brusselse versie van het
Engelse or, en die we
ó spellen (bij
gebrek aan beter: ik hou me daartoe aanbevolen;-) :
nó = na, óngón
= weggaan (aangaan); merk het uitspraakverschil op met
ik
gojn = ik ga(an).
Het is eigenlijk niet meer dan een variant van de diep-Brusselse lange
oe:
goen, oengoen.
De tweeklank -aai klinkt als bój
= baai,
róje = raden, raaien.
Men ziet in het voorgaande met welke NL klanken de klinkers in 't algemeen
overeenkomen.
Sommige woordjes ontsnappen natuurlijk aan die regel wegens een afwijkende
voorgeschiedenis:
vreumd = vreemd,
'n
hum = een hemd,
stoem = stom...
Soms kan men de vroegere stadia herkennen:
breu = broer, deuvel
= duivel en
deuze(n)d, deusd = duizend refereren
aan ouder bruur, duvel en duzend.
Spaave = sp(o)uwen kan ook zijn speuve
=
spu-wen, en
speuge = spugen.
Veil = veel kan ook
veuil
= veul klinken,
zeive = zeven ook zeuive
=
zeuven.
Meuige = meugen.
Haar, d'r, kan heui of heur
zijn, dus = heur;
heui hoer = heur
haar. Zoot = zoet maar
zeut
= zuut.
Kei(r)s, wei(r)d, geire, jeir, pjeid, stjeit
verwijzen naar stadia keers, weerd, geerne, eerde (grond), peerd, steert.
Ook
keis = kees.
Maar toe(r)t, boed, doe waren steeds taart,
baard, daar.
Best, het/te, met, erm, och e(i)rme was
berst, hert en herd(e), merkt, erm, maar
park
en start bleven zo vanuit het Frans.
Keut, beurd, feurs, deurp, steurm, beuze
was kört, börd, förs, dörp, störm, börs
(beurs, bors).
Steir, ves, kes (kessen of kezze), werk, ferm,
weer tonen stadia steer (ster), vers, kers, werk, ferm, wierd
(werd).
Plosj = plaats zal een verkorting zijn
van plóts, 'n hosjke = huisje van
hoëzeke,
moesj
= moets?, muts (pet) en
voesj =
vuts,
voort(s), waar vuet = voeët = voort .
Garage en occasie zijn garozje en occozje,
een
sozje is een deken, van saargie
ofte serge.
Groese is gratie,
publicoese
publikatie en
stoese statie, station.
Merk op dat ik geen eenvoudig onderscheid bied (want niet heb)
tussen de korte en lange oe en eu !
Men kan denken aan accenten (bóed
of
boéd = baard versus moet
= moet,
zeút of zéut
= zoet versus
keut = kort),
of aan andere indicatoren zoals toevoegen van h (boehd
= baard,
veuh = vuur),
doch geen enkel alternatief oogt "bevredigend" voor een Nederlandstalig
oog. %^)
Andere klinkklanken zijn in min of meerdere mate gediftongeerd:
ae (ook gespeld aai).
De ae komt overeen met -ij/ei: zaen
= zijn,
bae = bij, aege
= eigen,
raes = reis, blaef
= blijf.
Vergelijk met de aa die overeenkomt met
-au(w)/-ou(w) en -uw:
aa = oud en uw, kaad
= koud,
blaa/blaat/blaaf,-ve = blauw.
De ae kan tot een gewone 'aa' verglijden,
maar de
aa wordt omgekeerd zelf niet tot een
tweeklank.
(ik hoor in de tweeklank ae als eerste
element, de eerste klank van ou/au, een klank waar wij helemaal geen klinker
voor hebben*, en als tweede element iets tussen a en doffe e, als de Portugese
a-sjwa)
*(op de vraag of onze ou/au ook als een enkele klinker gehoord wordt
antwoorden Nederlanders weliswaar neen, maar wij Vlamingen maken ongetwijfeld
een verschil tussen woorden als kou/kauw, hou/houw, getuige volgende testzinnetjes:
de kouw kreeg een kou te pakken / de kou kreeg een kouw te pakken; ik hou
van jou, vrouw / ik hou van jouw vrouw / ik houw van jou, vrouw / ik houw
van jouw vrouw :o)
De overige klanken hebben geen uitsluitend monoftonge dubbelganger zoals het duo ae/aa.
ie:
Komt overeen met sommige ee-klanken: ien
= een,
gie(n) = geen,
hiel
= heel,
zier = zeer, pijn.
Ook met de tweeklank -eeuw: ne lie, liewe, giewe.
Kan klinken als iën en giën, maar dus ook als ien en gien.
ei:
Klinkt als een Franse è met zwakke j-auslaut.
Komt overeen met andere ee-klanken: hij hei
(om niet
ei ei te moeten spellen) =
hij heeft,
geil = geel, weif
= weduwe,
weiven en weize = weduwen en wezen.
Waaronder leenwoorden:
cafei = café,
reclameire, ne sans-papiei = een "sans papiers". Leir
= leder (leer), maar lier = ladder (leer) en
ook (ik) leer. Leig = leeg, maar lieg
= laag (leeg), getuige het café zaliger Lowee van
't lieg plafon.
eui (ook gespeld ui):
Komt overeen met de -eu: fleuis = straks,
later (fleus),
doetefleuis = daarstraks
(daartefleus),
'n deui = een deur.
Met deze klank kan ook de Franse "oeu"-klank worden weergegeven
zoals bij
directeuir, facteuir = postbode
(facteur), ter onderscheid met
facteu(r) =
factuur, peu(r) = puur, en niet: angst.
oë:
Deze klank komt overeen met de -ui: boëte
= buiten,
froët = fruit, boëk
= buik.
Hij kan tot een gewone ó verglijden
(bóte, frót) maar dat
klinkt meer Mechels dan Brussels.
Anderzijds kan hij ook tot een diepere oeë
sluiten, zie verder.
In deze gevallen zijn diëresen -ë-
nodig omwille van het onderscheid met de
oe-klinker(s).
ue:
Komt overeen met sommige -oo's: nem buet
= een boot;
in zaenem bluete = in zijn blootje.
Ook met de tweeklank -ooi: hue en strue
= hooi en stro(oi).
Verglijdt vaak tot een gewone uu, maar we vermijden deze schrijfwijze
vanwege de mogelijkheid van tweeklankvorming.
Ook hier, Brabantse varianten met oeë,
zie volgende.
oeë:
In feite is dit vooreerst een Brabantse variant van de Brusselse ue:
nem
boeët = een boot, bloeët
= bloot,
noeët = nooit.
En daarnaast, een diep-Brusselse van de oë:
boeëte
= buiten, froeët = fruit,
boeëk
= buik.
Niet te verwarren met de gewone -oei die in het Brussels ook zo klinkt
maar die we anders spellen:
'm moeje = zich
moeien.
au:
Komt overeen met andere -oo's (dan ue):
nen
otau = auto,
stauf = stoof.
Kaul = (steen)kool, maar kuel
= (bloem)kool,
nen huep = een hoop, maar ik
haup = ik hoop,
ne kueper = een koper
maar kauper = het metaal,
nuet
= nooit maar naut = noot, wal of sol.
Een
raut = een rij, blijkbaar van een ouder root,
rued
= rood.
Er zijn wel gevallen waar ik zelf twijfel en advies zou wensen:
pue*t
of
pau*t voor poort, kue*d
of
kau*d voor koord, dito voor noord, buer
of
baur voor boor, rues
of
raus voor roos (*
= optionele
r) ?
Spruiten zijn spro(e)ëten of sprotjes en sproeten sprooten of sprootekes. ken ik niet in het Brussels maar wel in Brussels Engels ;-o)
Merk op dat het onderscheid tussen ie/ei voor ee, en ue/au voor oo, overeenkomt met wat (weet niet precies in welke volgorde:-) in vroeger Nederlands ooit de lange en de gerekte ee en oo waren. De spelling De Vries-Te Winkel probeerde het verschil nog ietwat gekunsteld te bestendigen door de verschillende spellingen van bijvoorbeeld heelen, genezen, en (ver)helen, alsook van ophoopen en (ver)hopen!
Een woordje hier over een fenomeen dat Aalstenaars
over hun stad Ojljsjtj doet spreken.
Nemen we eerst het geval waarbij in zo'n medeklinkergroep de hele cluster
min of meer gepalataliseerd raakt, en zelfs de klinker vooraf. Dan kunnen
we schrijven
mojnd = maand (klinkt als mojnjtj),
schajnt = schijnt (als schajnjtj),
mojnne
= maanden. Dus een j tussen palataliserende
klinker en medeklinker(groep).
De palatalisatie hoeft echter niet noodzakelijk de of alle volgende
medeklinkers te treffen: p en m laten zich niet zo goed "palatralalaën"
maar we hebben toch
e pajpke = een pijpje
('n paep = een pijp), en
e
boejmke = 'n bumke = een boompje (nem boeëm
= nem buem = een boom),
e projmke =
een pruimpje.
Als de medeklinker(groep) zelf palataal is hoeft de klinker+j
niet:
plosj = plaats (en geen plojsje
of
plojse, plaatsen),
kosje,
kosjt = kuisen, kuist (schoonmaken),
ne slasj
= een pantoffel, voesjdoon = voortdoen,
e kotje = e kóteke = een kaartje ('n kót
= een kaart, maar
e kotteke = een kotje),
e putje = e pueteke = een pootje (ne
puet;
e putteke = een putje).
Tenslotte nog wat uitweidingen over de al gemelde kneedbaarheid van
het dialect.
Veel woorden veranderen van uitspraak volgens hun plaats in de zin
of de geijkte "zang" van het idioom en, waar nodig of mogelijk, probeert
de spelling die andere vormen weer te geven.
We hadden het al over de klanken zelf die kunnen verglijden.
Zaen puete = zijn poten kan verglijden
(maar niet per se "verschrijven") tot
zaan puute
en za(j)n puute. Of tot de sjwa-vorm
z'n
puete. Volgens de tongval zeggen en schrijven we
boëk
of boeëk,
bluet
of bloeët,
gón
of goen.
Vele woordstammen veranderen van vorm als ze verbogen worden.
Verzwegen eindmedeklinkers komen weer te voorschijn en vice versa.
Zo hebben we e pjeid = een paard maar
jeir = aarde, en
pjeire
= paarden, 'n deui en
deuire
= deur(en), van veui en
van
veuire(n) = van voor, van voren. E waud
= een woord kan leiden tot
waure, wauden of
waurde. Maanden kunnen
mojnne
zijn maar ook mojnde. Blauw kan
blaa
zijn maar ook blaat, blaaf en
nen
blaave. Kwoed = kwaad en
ne
kwoeje is een kwade of kwaaie man,
'n
kwoej een dito vrouw.
De eind-n wordt zoals andere eindmedeklinkers slechts geschreven
waar hij ook klinkt.
Spreiken en zwaege = spreken en zwijgen,
goo wei = goed weer,
ne
goojen oevend = een goeienavond, 't es al
goo(d) = 't is al goed.
Persoonlijke voornaamwoorden zijn veelvormig en sommige lijken zich
te repeteren door kopietjes van zichzelf aan het werkwoord te plakken.
Het is moeilijk om die dan volledig "uit elkaar geschreven" te houden maar
we proberen dat zoveel mogelijk te blijven doen.
'k Zennek ik ne
ki curieuis, of zoals ik verkies te schrijven,
'k
zen 'k ik...., ik ben eens benieuwd. Ge zet
gae goo gae, jij bent een mooie (jij bent goed, jij).
't Bennek ik/'t ben'tek ik of liever,
't
ben 'k ik/'t ben 't 'k ik = ik ben het. 't Zedde gae = jij bent het,
zedde
gae doe? = ben jij daar?
Hij
zeit, zeit 'm = hij zegt, zegt hij. Dad hae
da moet zegge = dat hij dat moet zeggen.
Waele
zegge da we/da me komme = wij zeggen dat we komen.
M'n hoës, me/mae waud, m'ne/maene joeng
= mijn huis, woord, jongen.
Aaven/aa'en/aan hond,
aa waud = uw hond, woord.
Z'nen/zaenen hond,
ze/zae waud = zijn hond, woord.
Heure vent,
heur/heui breu = haar vent, broer.
Aele miester
= jullie meester (niet aale zoals
aa,
uw, ondanks < uwlieden, maar diftongeerbaar).
Van
mae, van aa, van heum, van heui, van ons, van aele, van euile =
van mij, jou, hem, haar, ons, jullie, hen.
Ook voorzetsels en andere kleinere woordjes zijn erg veranderlijk.
Voor: kan zich voordoen als veui heum
of veur mae, maar ook
veu
niks en
vi aa. Voort(s) kan zijn
vuet
of voesj.
Naar: kan zijn no(r) Antwerpen of no
Brussel, maar
noe of nó
= na.
Niet is ni of ook wel neet.
Veur neet = voor niet, gratis, maar niets is
niks,
iets eet, eet
eit
of et, van
eite(n)
... :o)
Iets is ook wat, dus wa, of zelfs e
wa: 'k hem e wa feui, ik heb wat aan de hand ('n wat voor).
En neet is ook een vorm voor nieuw, naast
nee/neef/neeve = nieuw, en
neut,
neu/neuf/neuve = nu-w. Eet neet
= iets nieuws.
Niks neut onder de zon ...:o)
Werkwoorden horen natuurlijk ook in dit rijtje.
Ik weet het niet: kan variëren tussen ik
weit 't neet en
'k wet 't ni. Om maar
te zwijgen over 'k wei ni en
'k weig 't ni.
Ik zwiet = ik zweet, verkort dan weer
tot ik zwit.
Weure = worden kan ook weire
= werden klinken, en
ik weud ook
ik
weur, ik weurd, ik weir, ik wei.
A la limite kan ik wei ni choo (slecht)
begrepen worden als ik word niet goéd, of ik wéét niet goed
!
Gaan is goen of gón,
maar ik ga(an) is
ik gojn (wij gaan waele
goen of
gojn), wat kan verzwakken tot
'k gon oengoen = ik ga vertrekken.
Loete of lóte,
laten, kan geven
ik loet, ik lót, ik lojt,
ik leut.
Zijn is zaen maar kan verzwakken tot zen,
ik ben kan klinken ik
zaen, ik zajn, ik zan, ik zen;
of ik ben...
Nog een lastige noot om te spellingkraken is de sandhi-achtige
assimilatie,
zie aldaar.