![]() |
Wugi's
Relatieve Tijd Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. Guido "Wugi" Wuyts Dilbeek, Belgium, Europe, World, Solar System, Milky Way, Local Cluster, ... |
De meeste verhandelingen over de relativiteit maken in de loop
van hun betoog de gegronde opmerking, dat de moeilijke
begrijpbaarheid ervan hieraan gelegen is dat de
basisonderstellingen, met name over de lichtsnelheid, zo
indruisen tegen het gezonde verstand. Het doel van zo'n
verhandeling, om de materie enigszins toegankelijk te maken voor
dit gezonde verstand, wordt echter meestal niet bereikt.
Waarom ? In mijn eigen ervaring ligt dit aan het meetkundig
aspect van de theorie, dat zelden duidelijk aan bod komt. Het
postulaat over de constante lichtsnelheid kan weliswaar
verstandelijk worden aanvaard, en de algebra der speciale
relativiteit die eruit voortvloeit is eerlijk gezegd nogal
gemakkelijk. Maar hoewel er voortdurend gesproken wordt over de
meetkunde van de tijdruimte komt men er kennelijk moeilijk toe
een en ander meetkundig uit te beelden.
Nochtans is een intuïtief begrip van een theorie over ruimte en
tijd volgens mij wezenlijk meetkundig. Vandaar de zwakte van
menige voorstelling van de speciale relativiteitstheorie, ook die
van Einstein zelf, om even sterk aan te spreken als de klassieke
theorie van het 'gezonde verstand', op stevige meetkundige leest
geschoeid.
Toch bestaat er net zo'n leest voor de relativiteitstheorie,
namelijk het Minkowsky-diagram. Men kan er veel meer uit putten
dan gebruikelijk mits men het, in plaats van als figuratief
toemaatje van de formules, wil hanteren als een meetkundig
uitgangspunt om de relativistische eigenschappen te ontdekken en
te formuleren.
Getuige daarvan de aanpak in dit essay, met een veelheid aan
meetkundig materiaal dat, hopen we, het gezonde verstand zal
aanspreken en aldus verzoenen met de relativiteit. Dat hierbij
een eerder intuïtieve dan streng correcte beschrijving gebruikt
wordt, zij derhalve vergeven.
Gezien wij in onze dagelijkse omgeving quasi onmiddellijk
kennis nemen van wat zich 'op een bepaald ogenblik' (voor ons)
rondom ons bevindt en afspeelt, kunnen wij ons een behoorlijk
beeld vormen van de statische ruimte, als het decor waarin het
wereldgebeuren in 'momentopnamen' kan worden bevroren.
Uitgaande van wat wij ervaren als vaste lichamen komen we
enerzijds tot het begrip 'meetkundig punt', de ruimte ingenomen
door een vast lichaam met nulafmetingen, en anderzijds tot dat
van de oneindige ruimte, als de potentiële inhoud van een
onbeperkt aantal lichamen met onbeperkte afmetingen.
Reeds in deze ruimte krijgen wij te maken met een
relativiteitsprincipe van afstanden en afmetingen. Het heeft
namelijk geen zin zich af te vragen of bijvoorbeeld de afstanden
van vandaag 'dezelfde' zijn als deze van gisteren, of wellicht
het dubbele bedragen van die van morgen (Fig.
Tik1), en ook niet om één kilometer 'hier' te vergelijken
met zijn tegenhanger tweeduizend lichtjaar hiervandaan (Fig. Tik2).
Wat wel van belang is, is dat materiële lichamen hun
onderlinge afmetingen bewaren met de tijd en in de ruimte. Is de
ruimte zelf dus een enig en onveranderlijk gegeven, het
localiseren en meten van de dingen erin kan niet op een absolute
wijze geschieden, omdat elk object hiertoe dient vergeleken met
één of meer andere objecten. Een absolute eigen positie,
afmeting en verwijdering bestaat niet, deze worden afgewogen op
die van naburige objecten.
Hierdoor wordt het zinvol aan een gegeven, constante distributie
van objecten enkele welgekozen meetkundige lijnen of basisassen
te hechten waarop een volledig rooster of referentieraam kan
worden bepaald. Hierin kunnen dan alle objecten worden beschreven
qua afmetingen en positie (Fig. Tik3).
Zijn alle lijnen van het referentieraam 'mooi recht' dan spreken
wij van een Euklidische ruimte, d.i. een ruimte waarbinnen de
Euklidische meetkunde geldt met als meest opvallende postulaat
dat in een punt buiten een rechte precies één evenwijdige
hieraan bestaat.
In de algemene relativiteitstheorie komen niet-Euklidische ruimten voor. In tegenstelling tot de rest van die theorie is dit niet zo'n moeilijk want meetkundig bevattelijk begrip. De lijnen van een referentieraam in zo'n ruimte zien er 'van buitenaf gezien' gekromd uit, zelfs die lijnen (geodeten) die 'zo recht mogelijk' lopen door die ruimte (Fig. Tik4). Het 'van buitenaf' komt erop neer dat men een gekromde ruimte steeds kan beschrijven als een meetkundige plaats in een Euklidische, rechte ruimte van hogere dimensie. Zo kan een kromme lijn, dim 1, verlopen in een vlak, dim 2, zoals een parabool, of in de ruimte, dim 3, zoals een touwknoop. Een boloppervlak, dim 2, is ingebed in de ruimte, dim 3, die gedeeltelijk door de bolinhoud wordt ingenomen.
Voor zover wij kunnen nagaan is de ruimte van ons heelal ook
op grote schaal Euklidisch. Er bestaan criteria om deze
eigenschap op grote en toenemende afstanden te toetsen, gebruik
makend van de distributie van materie in het heelal, doch zij
hebben binnen de grenzen van nauwkeurigheid nog geen uitsluitsel
over het tegendeel gegeven. Een 'platlander' op een groot
boloppervlak zou ook geen onmiddellijk besef hebben van het al of
niet plat zijn van zijn wereld. Zelfs als proeven de bolvorm
zouden uitwijzen, zou hij dit zo niet aanvoelen...tenzij zijn
wereld zo klein was dat hij zichzelf voortdurend in de rug keek !
In feite wonen wij op zo'n platland : het aardoppervlak. Maar ons
verschil met de platlanders is, dat onze metriek niet deze is van
het boloppervlak maar van de omringende ruimte. Als
driedimensionale wezens kunnen wij het van buitenaf waarnemen en
zo zijn gekromd karakter rechtstreeks zien (Fig. Tik5).
Een tweede begrip, direct volgend uit ons klaarblijkelijk vermogen de ruimte te vatten in momentopnamen en deze te rangschikken, is de toestand van beweging der lichamen. Men stelt vast dat de ruimtelijke toestand van objecten, uit te drukken als hun coördinaten, afmetingen en onderlinge afstanden in een referentieraam, gaat verschillen naargelang de 'momentopnamen' : hierdoor is precies een onderscheid tussen deze mogelijk (Fig. Tik6).
Beweging kan vastgesteld worden voor punten (veranderende
coördinaten), voor vaste lichamen (+ veranderende oriëntatie),
en voor niet-starre objecten (+ veranderende afmetingen en vorm).
Voorbeelden van deze laatste zijn elastische lichamen,
vloeistoffen en gassen.
De beweging maakt dat enige kieskeurigheid is geboden bij het
uitpikken der objecten waarop men het referentieraam gaat
bepalen. Tenminste zo men wil dat de basisafstanden hierin hun
betekenis bewaren voor alle te beschouwen momentopnamen. Men
dient hiertoe vaste of quasi-vaste objecten te nemen wier
onderlinge posities zo stabiel mogelijk zijn. Zij mogen dus zelf
niet noemenswaardig onder elkaar bewegen, willen zij voor de
beweging van de overige objecten een geldig beschrijvingsraam
vormen (Fig. Tik7).
Met de beweging ontdekken we een tweede aspect van de
klassieke relativiteit. Zoals met plaatsen en afmetingen is het
niet mogelijk een absolute beweging in de ruimte vast te stellen (Fig. Tik8). In een ruimte waarin zich
slechts één (vast) object zou bevinden heeft een uitspraak over
zijn beweging geen zin. Zij bestaat slechts in relatie tot andere
voorwerpen.
Ware het mogelijk een 'zwaartepunt' of 'beginpunt' van alle
materie in de ruimte te bepalen, dan kon men hieraan weliswaar
een nulbeweging en -rotatie toeschrijven, doch dit blijft
evengoed een willekeurig uitgangspunt. Bovendien is het niet
zeker dat een dergelijk punt bestaat. In de relativiteitstheorie
is immers de gelijktijdigheid niet uniek voor alle waarnemers, en
bestaat er dus ook geen unieke momentopname voor de bepaling van
zo'n punt. Maar laten we niet vooruitlopen.
Een natuurlijk uitvloeisel van de gewaarwording van beweging is het begrip tijd. Het subjectieve tijdsgevoel kan worden geobjectiveerd in de bevinding dat men de momentopnamen van de ruimte kan rangschikken in een continue éénparameterreeks (Fig. Tik9).
Het subjectieve gevoel dat deze momentopnamen in onze nabije
omgeving voor de ogenblikkelijke waarneming toegankelijk zijn, en
dat hun rangschikking door naburige waarnemers geheel lijkt
overeen te stemmen, geeft bovendien aan dit tijdsbegrip een
(bedrieglijk) absoluut karakter. De tijd wordt geacht
onafhankelijk van het 'ruimtedrama' voort te schrijden, en zou
dit zelfs blijven doen in een lege ruimte, zonder momentopnamen
om te rangschikken. Zijn verloop lijkt onafhankelijk van enige
signaaloverbrenging, dus van enige fysische beweging, maar is
zelf maatstaf voor alle beweging.
Een maatstaf bovendien met de aantrekkelijke eigenschap dat
periodische bewegingen overal en altijd 'in de pas' blijven
lopen, -zoals vaste lichamen hun onderlinge afmetingen bewaren-,
en dat gelijke voorwaarden tot gelijke bewegingen blijven leiden.
Zo verloopt de tijd voor iedereen met gelijke tred en kan hij
gemeten worden t.o.v. herhaalbare, periodische fysische processen
zoals door de mens gemaakte klokken (Fig.
Tik10).
Het enige relatieve aan de tijd is dat er geen absolute tijdseenheid noch -oorsprong bestaat. Het is nodeloos één seconde van nu af te wegen op één seconde van vorig jaar, men kan enkel de bewegingen die een seconde vertegenwoordigen altijd en overal vergelijken met elkaar... en de herhaalbaarheid vaststellen. En het tijdstip nul is even willekeurig als de plaats nul (Fig. Tik11).
Tijd en ruimte zijn dus verwant wat hun relativiteit betreft.
Er is ook een belangrijk verschil: tijd vertoont een duidelijke
ordening 'vóór' en 'na' die de ruimte niet heeft. Dat blijkt
uit de neiging van massabewegingen om van een meer naar een
minder geordende toestand te evolueren, indien aan zichzelf
overgelaten. Het komt ook tot uiting in het fysisch
verouderingsgevoel dat ons levensproces begeleidt. Het versterkt
meteen de overtuiging van niet-vermengbaarheid van ruimte en
tijd.
Wiskundig komt men tot de bevinding dat tijd een geordende
éénparameterfunctie is, misschien in beide richtingen
onbegrensd, en waarvan het aannemen van dezelfde waarde in gans
de ruimte (tenminste op onderling geijkte klokken) overeenstemt
met een subjectieve momentopname van de alledaagse waarneming.
Dit is het aspect van de absolute gelijktijdigheid, geldig voor
elke waarnemer. Ook de ruimte als unieke momentopname per
tijdswaarde krijgt zo een absoluut aspect.
Zolang de fysika met deze aanpak successen boekte werd men niet a
priori verontrust door de vraag of de tijd wel 'altijd en overal'
constant is, of materieel identieke klokken wel eens uit de pas
zouden kunnen lopen naargelang hun positie of zelfs oriëntatie,
of nog als begeleiders van onderling bewegende objecten.
De eerste twijfels over de fundamenten van het bouwwerk van
absolute tijd ontstonden naar aanleiding van enkele
tegenstrijdige ervaringen met betrekking tot de voortplanting van
het licht, met andere woorden de elektromagnetische beweging.
Vooreerst echter nog een intermezzo over de tijdruimte-structuur
die uit het voorgaande kan worden afgeleid.
Het is nuttig nog eens stil te staan bij de begrippen referentieraam en referentiestelsel. Een 'eenmalige' ruimte is referentiestelsel voor alle erin gedefinieerde objecten, maar erin kunnen onbepaald veel referentieramen gekozen worden (Fig. Tik12). Gaat ook de tijd een rol spelen, dan kunnen we een stelsel hechten aan een bepaalde groep onderling 'vaste' objecten, die echter in beweging kan zijn ten opzichte van andere dergelijke groepen of stelsels.
Pikken we zo'n stelsel uit, en plaatsen daarin een referentieraam met oorsprong O. Zetten we nu bovendien nog een (onafhankelijke) tijdas uit, dan is een ander stelsel bepaald door een beginpositie van zijn referentieraam, en de bewegingslijn in de tijd (de wereldlijn) van zijn oorsprong O' (Fig. Tik13). Gezien de absolute gelijktijdigheid kunnen trouwens alle tijdschalen 'op hetzelfde ogenblik' op nul gezet worden en van dezelfde eenheden voorzien, als maat voor fysisch gelijke klokken (Fig. Tik14). (Op eenzelfde wijze staan gelijke afstanden in referentieramen voor fysisch gelijke objecten.) Elke wereldlijn van de oorsprong van een stelsel kan nu beschouwd worden als een tijdas voor dat stelsel, en 'horizontale' projecties tussen wereldlijnen bakenen gelijke tijdsintervallen af.
Hierbij is de x-as gekozen volgens de onderlinge
bewegingsrichting. Merk op dat de getoonde stelsels onderling
eenparig bewegen, met constante snelheid dus, zonder
versnellingen of rotaties. De wereldlijnen O' zijn rechten.
Dergelijke stelsels zijn inertiaalstelsels, tenminste als het
beginstelsel van onze keuze inertiaal is. Dit is het geval als
het licht zelf in dit stelsel eenparig beweegt, als dus de
wereldlijnen van het licht of lichtlijnen recht zijn, maar laten
we niet vooruitlopen.
De hier besproken tijdruimtediagramma's zijn het werkgebied van
deze, zoals gezegd meetkundige verhandeling. Eenmaal uitgerust
met lichtlijnen en met een correcte relativiteitsstructuur
(later) worden het echte Minkowskydiagramma's. Ook blijkt hoe het
(unieke) tijdruimtegebied staat tot een ruimtelijk
referentiestelsel met referentieraam en bijhorende tijdas, zoals
een eenmalig ruimtelijk stelsel staat tot een van zijn
referentieramen (Fig. Tik15).
Het is belangrijk het verschil met een zuiver ruimtelijke voorstelling te zien (Fig. Tik16). In het eerste geval heeft men een tijdruimtediagram met de wereldlijn van een heen en weer lopende beweging op een rechte lijn, zoals geprojecteerd op de rechte eronder. In het tweede geval ziet men het traject van een heen en weer lopende beweging in een xy-vlak, waarvan de wereldlijn erboven is voorgesteld. Hoewel de grafieken (x,t) en (x,y) er eender uitzien, stellen zij iets heel verschillends voor !
De golf-deeltjes dualiteit van het licht volgens de
quantummechanika is het 'derde' antwoord, gegeven op de vraag die
de fysici van bij de aanvang bezighield : is het licht een golf-
of een deeltjesverschijnsel ? Waarbij beide elkaar uitsluiten in
sommige gevallen. Voor beide valt er wat te zeggen : hoewel een
lichtbron in alle richtingen licht uitzendt zodat het zich als
een uitbreidend front voortplant zoals een golf, kan men ook
rechtlijnige lichtstralen afzonderen die op de baan van deeltjes
lijken te wijzen.
Vroeger werd aangenomen dat de uitbreiding ogenblikkelijk
geschiedde, met andere woorden dat de lichtsnelheid oneindig
groot was. Dat stemt overeen met ons subjectieve gevoel dat we de
momentopnamen van de ruimte 'ogenblikkelijk' waarnemen. In feite
was de eindigheid van de lichtsnelheid al op het eind van de
zeventiende eeuw bekend. Hierdoor ontstond een zekere gaping
tussen de objectieve momentopnamen van (absoluut) gelijktijdige
ruimte, en
de subjectieve van de ogenblikkelijke waarneming. Maar men
overwoog dat de kennis van de lichtsnelheid het mogelijk maakte
de eerste uit de tweede af te leiden (Fig.
Tik17).
Het besef van de eindige lichtsnelheid maakte het wel
noodzakelijk te gaan kiezen tussen deeltjes- en golfmodel, maar
maakte dit tevens mogelijk. Dank zij de universele tijd moest een
meting van de lichtsnelheid zeker afhangen van de beweging tussen
bron en waarnemer, m.a.w. ook de beweging van het licht is
relatief zoals elke beweging.
Maar nu was een keuze mogelijk tussen de twee opvattingen, omdat
zij tot tegenstrijdige conclusies leiden zodat een verificatie
door proeven zou kunnen gebeuren. Men toog dus aan het werk om
het ballistisch of deeltjesmodel te testen, en daarna het golf-
of ethermodel. Toen geen van beide volledig voldoening gaf was de
klassieke theorie in ernstige moeilijkheden verzeild. Laten we
deze ontwikkelingen eens nader bekijken.
Wij zagen reeds dat van een lichtfront lichtstralen kunnen worden afgezonderd die rechtlijnig verlopen. Dit geldt tenminste voor een bevoorrechte groep waarnemers, objecten en referentieramen of stelsels die men inertiaal noemt en die het kenmerk hebben dat al hun onderlinge bewegingen rechtlijnig zijn en met constante snelheid geschieden: eenparige of inertiale beweging (Fig. Tik18).
Voor versnelde waarnemers t.o.v. deze stelsels geldt de
rechtlijnigheid niet, waardoor ze hun niet-inertiaal zijn kunnen
ontdekken, hadden ze nog niet de meer 'tastbare'
traagheids-verschijnselen opgemerkt. Voor alledaagse
versnellingen zoals de valversnelling valt de
niet-rechtlijnigheid van het licht natuurlijk buiten de grenzen
van de waarneming.
De traagheidswet van Galileo dat eenparig bewegende voorwerpen
hun bewegingstoestand handhaven indien 'met rust gelaten', geldt
dus kennelijk ook voor lichtstralen. Het lijkt dan ook logisch om
aan te nemen dat deze zouden bestaan uit 'weggeschoten'
lichtkorrels of -deeltjes, fotonen genoemd. Het lichtfront is dan
niets anders dan een verzameling tegelijk in alle richtingen
uitgezaaide fotonen.
Een gevolg van het deeltjesmodel is dat de lichtsnelheid, zoals
deze van een weggeworpen voorwerp, zich samenstelt met de
bronsnelheid, zoals deze van de werper. Vandaar een
aantrekkelijke eigenschap die wij in verband met het vergelijken
van periodische bewegingen hebben vermeld, en waardoor een tussen
twee spiegels heen en weer kaatsende lichtstraal bruikbaar zou
zijn als klok. (Dergelijke systemen zullen we in het vervolg
lichtklokken noemen.) Door de samenstelling van licht- en
bronsnelheid blijven twee gelijke inertiale lichtklokken in de
pas en wel gelijk lopen, ongeacht hun richting (isotropie) en hun
onderlinge eenparige snelheid.
Dit wordt geïllustreerd in (Fig.
Tik19). Zij twee lichtklokken met lengte OA = l , die onderling met een eenparige snelheid
v bewegen. De lichtklok in rust t.o.v. het stelsel S(x,t)
zal hierin lichtstralen met snelheid +/-c uitzenden, langs de
wereldbaan OMN. De andere, bewegende lichtklok zal stralen met
samengestelde snelheid +/-c+v uitzenden, +c voor het deel OM' en
-c voor het deel M'N' van de wereldbaan OM'N'.
Het resultaat is dat tN' = tN = t = 2 l /c : de
aankomsten N en N' gebeuren gelijktijdig. Dit 'constateert' zowel
de ene als de andere lichtklok wegens de symmetrische situatie
die aan een absolute tijd beantwoordt. Deze tijd kan dus zowel op
de t- als op de t'-as worden aangeduid. De rechte hoek van het
(x,t) stelsel is louter formeel door constructie, en geeft de
t-as niets superieurs t.o.v. de t'-as.
In het geval van lichtklokken OB langs een y-as, loodrecht op de
x-as, en die aan de respectieve lichtklokken OA gelijk en ermee
verbonden zijn, zal men vinden dat de uitgezonden stralen banen
volgen in het tOy- resp. het t'O'y-vlak, en dat ook hun
aankomsten in N resp. N' plaatsvinden. Onder deze voorwaarden
gedragen
lichtklokken zich als echte klokken, geschikt voor het meten van
absolute tijd ongeacht hun posities en onderlinge snelheden, en
mits de nodige ijkingen.
Men kan stellen dat volgens de deeltjeshypothese lichtklokken
concordant zijn met absolute tijd, meer bepaald met zijn isotroop
en inertiaal universeel karakter. De lichtsnelheid zelf is
relatief en hangt af van de beweging van de bron t.o.v. de
waarnemer. Twee elkaar passerende bronnen zenden stralen met
verschillende snelheden uit.
Jammer genoeg is het deeltjesmodel niet in staat
verschijnselen te verklaren i.v.m. diffractie, waarbij de
rechtlijnige voortplanting niet meer ten volle geldt gezien ook
afbuigende stralen optreden. Hiertoe moet men beroep doen op het
golfmodel, waar de lichtstraal niet wordt gematerialiseerd als
een bewegend foton, maar als een golfstoring van het
elektromagnetische veld, kortweg de ether. Het lichtfront is dan
een golffront. Wordt de straling permanent uitgezonden dan volgen
de golffronten elkaar op, en de lichtstraal handhaaft zich als
een golvenrij die met lichtsnelheid opschuift, zich uitstrekkend
tot de eerst uitgezonden golf.
De rechtlijnige voortplanting wordt verklaard doordat elk punt op
een golffront zelf als nieuwe bron optreedt, en doordat naburige
puntbronnen op een front elkaar versterken in hun
expansierichting, en uitdoven in de andere richtingen.
Dit wordt gedeeltelijk opgeheven daar waar het golffront door een
opening moet waarvan de afmetingen vergelijkbaar zijn met de
golflengte, dit is de afstand tussen twee opeenvolgende punten in
faze, bijvoorbeeld tussen twee golftoppen. In zulk geval treedt
ook onderlinge versterking, en dus voortplanting op in
welbepaalde andere richtingen. De straal treedt gediffracteerd
door de opening (Fig. Tik20).
Latere proeven logenstraften een tweede resultaat van het deeltjesmodel, te weten de invloed van de beweging van de bron t.o.v. de waarnemer. Er bleek dat licht afkomstig van zeer snel bewegende deeltjes dezelfde snelheid behield als licht van een stilstaande bron. Licht- en bronsnelheid worden dus kennelijk niet samengesteld. Ook dit wordt verklaard in het golfmodel : hier hangt immers de voortplanting af van het medium, de ether, en niet van het zendende object erin, de bron.
Zoals voor elk bekend golfverschijnsel: geluid,water... vergde
een lichtgolf het bestaan van een medium dat die golf kan
'dragen'. De voortplantingssnelheid is een karakteristiek van dat
medium, en constant ten opzichte van dat medium. Hij blijft
relatief t.o.v. de waarnemer, maar hangt niet langer af van zijn
beweging t.o.v. de bron, maar wel van zjn beweging t.o.v. het
medium.
Hierdoor, en omdat het lichtmedium dat men ether noemde zich
oneindig moest uitstrekken en dus niet aan iets uitwendigs
gerefereerd kon worden zoals lucht of water, kreeg dit medium een
verrassend absoluut karakter. De oneindige ether kon immers met
gemak in absolute rust verondersteld worden, ook al is zelfs deze
bewering enigszins willekeurig, en was het met name niet
duidelijk of het materiële universum als geheel, t.t.z. zijn
hypothetisch zwaartepunt waarvan hiervoor reeds sprake, niet in
beweging was in de ether.
De redenering dat men uit metingen van de lichtsnelheid in
verschillende richtingen zijn eigen snelheid in de ether zou
kunnen afleiden, een eigen beweging dus zonder te verwijzen naar
andere objecten, sprak tot de verbeelding der fysici en leidde
tot enkele mooie proeven zoals die van Michelson-Morley. Laten
we, om deze te bespreken, eerst eens het gedrag bekijken van wat
we lichtklokken hebben genoemd in het geval van de
etherhypothese. Omdat in onze
redenering voorlopig het golfaspect van het licht niet meer aan
bod komt, maar enkel zijn voortplanting in de ether, spreken we
verder van het ethermodel.
Beschouwen we (Fig. Tik21) de
wereldlijnen OO,AA,BB van een stel spiegels in rust in de ether,
waarbij OA=OB, en de wereldlijnen OO',AA',BB' van een stel
spiegels in eenparige beweging. De door (O) uitgezonden
lichtstralen treffen (A) en (B) in M en N, en keren weer naar (O)
in P. Hun wereldlijnen OMP en ONP verlopen symmetrisch: de
retourpunten M en N zijn gelijktijdig. De totale retourtijd
bedraagt tP.
Voor het stel in beweging worden de wereldlijnen OM'P' en
ON'P'. In hetgeen volgt niet vergeten dat het absolute
tijdsverloop impliceert dat t'=t op een 'horizontale'. Men merkt
drie zaken :
- Vanuit beide richtingen wordt (O') bereikt in hetzelfde punt
P'; doordat immers OM'// N'P' en ON'// M'P' is P' het sluitpunt
van een parallellogram.
- De retourtijden zijn echter niet meer gelijk : t'P'=tP'<>tP.
- De gelijktijdigheid van de retourpunten verdwijnt : tM'<>tN'.
Bovendien verschillen de retourtijden naargelang de richting, en
meer bepaald volgens de bewegingsrichting (x) en loodrecht hierop
(y). Bekijken we (Fig. Tik21). Een lichtklok OC (=OA) volgens (y) is
in rust met OA. Haar gedrag en retourtijd zijn identiek met die
van OA en OB. Een lichtklok OC' beweegt solidair met OA'.
De wereldlijn van het uitgezonden licht ligt in het vlak OCP'
enerzijds, en op de lichtkegel in O anderzijds. (De lichtkegel
van een punt in de tijdruimte is de verzameling wereldlijnen van
het licht die door dat punt gaan.) Op het tijdstip tN' bereikt
het licht van deze laatste de posities M' volgens x, en Q volgens
y, en de kwartcirkel M'Q hoort dus bij de lichtkegel. Op
hetzelfde moment bevindt (O') zich in positie S, zodat de rechte
RS tot het vlak OCP' hoort. De intersectie van vlak en lichtkegel
omvat dan de lijn OS, die (C) ontmoet in positie T. De gezochte
wereldlijn is dan OT, en terug volgens een symmetrische route TV.
De toestand in de andere richting is symmetrisch, zodat een
lichtklok OD=OC het licht in hetzelfde punt V terugkrijgt.
Daarentegen zijn P' voor (x) en V voor (y) verschillend, en is
dus tP'<>tV !
Besluit : volgens het ethermodel voldoen lichtklokken niet aan de
symmetrie : tN'<>tM' , de isotropie :
tV<>tP' , en behouden dus ook niet
hun periodes : tP<>tP' of tV.
Bijgevolg zijn ze niet 'bruikbaar' als gewone klokken in een
absoluut tijdsverband. Uit hun gedrag kan men evenwel door een
geschikte opstelling de snelheid van de waarnemer in de ether
afleiden.
Met dit doel voor ogen ontwierp Michelson met Morley zijn
beroemde proef, die in wezen een meting van het
retourtijdsverschil voor twee gelijke, onderling loodrechte
lichtklokken inhield. De verbazing, ja teleurstelling van de
fysici was dan ook groot toen zijn proef een nulresultaat
opleverde. Dit betekende dat men geen verschil kon vaststellen
tussen een bewegingsrichting x en een rustrichting y t.o.v. de
hypothetische ether ! Het was alsof de aarde in absolute rust is
in deze laatste, iets wat moeilijk te rijmen viel met het besef
van haar astronomische bewegingen, om haar as en om de zon.
Ironisch genoeg zou het deeltjesmodel hier geen probleem mee
hebben, omdat het inderdaad tot gelijke retourtijden leidt dank
zij de samenstelling van snelheden. Maar dat was zoals gezegd om
andere redenen in de problemen. Het enige wat te doen bleef, was
op zoek te gaan naar een correctie van het ethermodel.
Men zocht ijverig naar een uitweg. De meest gekunstelde werd geopperd door Lorentz. Om het behoud van retourisotropie te verkrijgen, waarbij tP'=tV, veronderstelde hij een daadwerkelijke verkorting van lichtklokken en algemeen van meetstaven en vaste objecten, in de bewegingsrichting x, onder invloed van een zekere etherdruk : de lengtecontractie. Hierdoor zou de retourtijd tP' verkorten, en P' naderen tot V (Fig. Tik22). Daarmee vermeed hij nog steeds niet een verschil in retourtijd t.o.v. het ruststelsel : tV=tP'<>tP.
Dit impliceerde dat men toch nog beweging in de ether zou
kunnen vaststellen omdat het verschil in retourtijd duidelijk
afhangt van de snelheid v. Omdat niet de eigenlijke tijden en
tijdsverschillen konden worden gemeten, maar wel interferenties
van uit verscheidene richtingen samenkomende lichtstralen vanwege
hun optische wegverschillen, ontwierpen Kennedy en Thorndyke een
variant van de proef van Michelson en Morley. (De optische weg is
het aantal doorlopen golflengten tussen twee punten.
Interferentie is het elkaar versterken of verzwakken van
samenkomende lichtstralen, naarmate zij uit faze raken wegens
verschillen in doorlopen optische weg.) Zij stelden twee
lichtklokken met verschillende afmetingen OA en OB op volgens
twee onderling loodrechte richtingen x en y. Hierdoor bekwamen
zij twee verschillende retourtijden tx,A en ty,B
, waardoor een bepaald interferentiepatroon ontstond in hun
gemeenschappelijk punt O. (Vanwege de gelijke lichtklokken in de
proef van M-M en vanwege de contractie, worden de retourtijden
gelijk en het optische wegverschil nul, en is er dus geen
interferentie.)
Door de astronomische bewegingen van de aarde waarvan reeds
sprake was, is het duidelijk dat haar snelheid v t.o.v. de ether
in de loop van het jaar zou moeten veranderen. Hierdoor zouden
veranderingen in retourtijden, en dus in optische weglengte
moeten blijken. Bijgevolg zou ook het interferentiepatroon
merkbaar moeten veranderen over een voldoende lange tijd. De
proef leverde echter niet de minste betekenisvolle wijziging op.
Opnieuw moest men hiervoor een verklaring zoeken.
Lorentz had dergelijke proeven, die pas na hem uitvoerbaar
werden, reeds voorzien evenals hun waarschijnlijk nulresultaat.
De algemene opvatting was dat de natuur geen enkele informatie
wou afstaan over enige beweging door de ether, middels vernuftige
compensatiemechanismen. Het bestaan van de ether zelf stond nog
buiten kijf.
Zoals hij reeds de universele afstand had opgegeven
(lengtecontractie in bewegingsrichting), zag hij nu ook af van
een universele tijd. Hij stelde zich namelijk voor dat het
verschil tussen tP en tP' voor twee
onderling bewegende lichtklokken, zou verdwijnen dank zij een
reële verlangzaming van de kloktijd t' in het bewegend stelsel.
Hierdoor verliest de tijd zijn absoluut karakter, omdat
t'<>t wordt, maar anderzijds zou de bewegende klok voor
haar retourtijd t'P'=tP registreren, t.t.z.
haar vertrouwde eigentijd net als de klok in rust, daar waar deze
tP'>tP meet (Fig.
Tik23).
Dit impliceert dat de tijd t' langzamer verloopt dan de tijd t, vandaar de term tijddilatatie. Het is duidelijk dat onder deze voorwaarden de verschillen tussen de retourtijden voor verschillende lichtklokken niet meer zullen veranderen met hun snelheid v in de ether : zij meten steeds hun eigentijden, 'alsof' zij in rust zijn in de ether.
Uit de lengtecontractie en de tijddilatatie kan men
transformatieformules afleiden tussen de (x,y,z,t) coördinaten
van het ruststelsel en de (x',y',z',t') coördinaten die een
bewegend stelsel met snelheid v aan eenzelfde gebeurtenis zou
toekennen. We laten die berekeningen hier achterwege, omdat we de
zogenaamde Lorentztransformatie zelf niet nodig hebben, en we de
vermelde maar nu wederzijds geconstateerde 'vervormingen' zullen
verkrijgen vanuit 'echte' relativiteitshypothesen, in het tweede
deel.
Blijkt nu dat deze formules symmetrisch zijn. Dat moest ook wel,
gezien het resultaat inhoudt dat elk stelsel zich als zijnde in
rust in de ether mag beschouwen. Het bewegend stelsel kan dus op
zijn beurt dezelfde vervormingen toeschrijven aan het stelsel in
rust. In de geest van Lorentz was deze symmetrie echter 'vals',
een wiskundige kronkel die steunde op 'werkelijke' vervormingen
van 'bewegende' stelsels. Hij bleef het standpunt getrouw van de
stationaire ether en de absolute ruimte en tijd, zoals die
voorkomen in een ruststelsel.
De vervormingen in bewegende stelsels waren reëel en moesten
wiskundig verrekend worden om de vorm van bepaalde fysische
wetten te handhaven in onderling bewegende verbanden. Men was
overigens niet bepaald tevreden met deze theorie die een typische
ad hoc verklaring gaf, die dus de feiten naderhand en 'voor zulk
geval' uitlegde en niet aan de hand van echte beginhypothesen.
De onveranderlijke lichtsnelheid.
Waar moest men zo'n hypothesen gaan zoeken ? Einstein was de
eerste die inzag dat alle ontmoete obstakels verband hielden met
het initiële begrip van absoluut verlopende tijd, en de eruit
volgende absolute gelijktijdigheid, waardoor de ruimte er 'op een
gegeven ogenblik' voor iedereen gelijk moest uitzien, met andere
woorden dezelfde gebeurtenissen bevatten.
Het had weinig zin in dit standpunt te volharden, als men dan
toch 'vervormingen' in afstanden en tijd moest aannemen voor
bewegende waarnemers. In plaats daarvan vertrok Einstein van de
idee dat deze wederzijds geconstateerde vervormingen de
uitdrukking waren van een werkelijk verschil waarmee onderling
bewegende waarnemers, objecten en klokken de gebeurtenissen en
dus ook zichzelf rangschikken in ruimte en tijd. Zij doen dit op
zulk een manier dat zij, elk voor zich, 'stil' lijken te staan in
de ether, meer bepaald dat de lichtsnelheid, zoals gemeten met
hun standaards en klokken (en voorzover onderling geijkt) steeds
dezelfde waarde heeft.
Als er al een ether bestaat, wat Einstein eigenlijk in het midden
liet, dan is er toch geen mogelijkheid om absolute beweging in
zo'n medium vast te stellen. Alles stemt zich rechtstreeks af op
de voortplanting zelf van het licht.
Men zou kunnen stellen dat de lichtsnelheid, of meer bepaald de
wereldlijnen van het licht in de tijdruimte, een etherveld of
inertiaalveld voortbrengt, namelijk alle wereldlijnen van alle
inertiaalstelsels die gelijkwaardig zijn voor fysische wetten.
Een zuiver 'ruimtelijke' ether, die slechts één
inertiaalstelsel zou vertegenwoordigen, is in dit opzicht
overbodig geworden: de vraag naar zijn bestaan is aldus
'overstegen'.
Hoe beïnvloedt de lichtsnelheid het gedrag van klokken ?
Zoals we zagen is een bruikbare klok elk periodisch verschijnsel
dat 'in de pas' blijft lopen. Dat dus zijn periode niet gaat
wijzigen volgens positie of richting : bijvoorbeeld bij
veranderen van uitwijking van de slinger, opwinden van de veer,
laden van de batterij...
Wat bepaalt nu zo'n periode ? Volgens onze ervaring is zij een
kenmerk van zowel inwendige eigenschappen van het systeem :
materiaalconstanten, als van de gebruikte afmetingen en vorm :
vormfactoren. De materiaalconstanten vertolken de snelheid en de
onderlinge amplituden waarmee storingen van deeltje op deeltje in
het materiaal worden overgebracht.
Nu is de factor die de onderlinge bewegingen van naburige
deeltjes uiteindelijk regelt de snelheid waarmee zij informatie
kunnen uitwisselen, en aan de basis hiervan ligt weer de snelheid
van elektromagnetische golven of lichtsnelheid. Dit betekent dat
periodische bewegingen van fysische klokken noodzakelijk in de
pas zullen blijven met periodische bewegingen van het licht,
hetzij met lichtklokken zoals ze eerder werden gedefinieerd ! Met
andere woorden, lichtklokken zijn echte klokken (vandaar hun naam
natuurlijk) en in hun elementaire vorm, tussen naburige deeltjes,
zelfs inwendige basisklokken voor alle verdere fysische
processen, al dan niet periodisch of moleculair, die zich in en
met de materie afspelen.
Achteraf gezien lijkt het nogal ironisch dat de fysici vóór
Einstein deze lichtklokken in feite niet als klokken (h)erkenden,
en ze integendeel probeerden te 'verschalken' op een
niet-klokvast verloop. Daarentegen behielden ze hun vertrouwen in
'normale' klokmechanismen als maatstaf voor de tijd,
onafhankelijk van oriëntatie of bewegingstoestand ! Tot met
Lorentz alle klokken de kluts kwijtraakten.
Met het begrip lichtklok komt men vanzelf tot een relatieve
ordening van ruimte en tijd, namelijk zodanig dat voor elk
inertiaalstelsel de lichtsnelheid hetzelfde is : er is gewoon
geen onafhankelijke maatstaf waardoor die verschillend zou kunnen
worden gemeten.
Met de lichtklok verliest ook de gelijktijdigheid zijn
absolute betekenis. Als we onze beperkte omgeving verlaten en
gebeurtenissen op astronomische schaal bekijken, moeten we immers
afgaan op informatie via het licht. We zeggen dan, per definitie,
dat twee gebeurtenissen op eenzelfde afstand van ons verwijderd
gelijktijdig zijn, als zij t.o.v. ons retourpunten zouden zijn
van twee samenvallende lichtklokperioden.
Bekijken we (Fig. Tik24). Twee
paren symmetrisch geplaatste lichtklokken passeren elkaar met
eenparige snelheid zodat hun centrale punten elkaar ontmoeten in
O. Voor het zogenaamde stel in rust worden de retourpunten M en N
als gelijktijdig gedefinieerd, namelijk als halverend de
retourtijd OC. Er is immers geen middel om de lichtsnelheid 'naar
links' en die 'naar rechts' van elkaar te onderscheiden. De
trajecten heen en weer worden dus geacht dezelfde tijd in beslag
te nemen.
Dat geldt echter ook voor het bewegende stel, waarvoor de
lichtsnelheid eveneens c is, zonder onderscheid links of rechts.
Dus zijn voor hem M' en N' te beschouwen als gelijktijdig, daar
waar voor het ruststel M' vóór N' komt. Omgekeerd, komt voor
het bewegend stel N vóór M.
Bijgevolg zullen niet alleen de tijdassen, maar ook de
ruimteassen veranderen volgens de waarnemer ! Dit zijn weliswaar
formele assen in een tijdruimtediagram, maar zij vertolken een
wezenlijk andere momentopname van de ruimte volgens de onderlinge
bewegingsrichting, gevolg van een wezenlijk andere opvatting van
gelijktijdigheid.
In dit eerste deel bewandelden wij de weg van het historisch
denken, die ons vanaf het intuïtieve beeld van onafhankelijke
ruimte en tijd, via de 'tegenslagen' van de waarneming, leidde
tot een nogal gebrekkige visie op de relativiteit... totdat
Einstein de weg aanwees vanaf een correct uitgangspunt.
In het tweede deel wordt gepoogd om, in het spoor van Einstein,
tot een relativistische formulering te komen als resultaat van
een stel geschikte beginhypothesen. Doch in tegenstelling met de
gewoonte zullen we een meetkundig, eerder dan een algebraïsch
standpunt innemen.