![]() |
Wugi's Verzamelaar en Verzamelleer Verzamelingen, stellingen, en hun waarheid- Sets, statements, and their truth Guido "Wugi" Wuyts @ Dilbeek, Belgium, Europe, World, Solar System, Milky Way, Local Cluster, ... |
|
|
|
(Be)spiegelingen over verzamelingen en uitsprakenlogica
|
De verzamelaar en de
verzamelleer De
verzamelingenleer is een van de fundamenten van de wiskunde. Als die op
zijn grondvesten gaat daveren is er dus wat aan de hand. Dat gebeurt
wanneer er paradoxale eigenschappen of essentieel tegenstrijdige
uitspraken over opduiken. Die blijken ook hun tegenhangers te hebben in
het domein van de logica. Sommigen zoals B. Russell hebben daarvan hele
verzamelingen (!) aangelegd. Hier doen we enkele oefeningen om te proeven
van wat er zoal verkeerd kan lopen bij het manipuleren van verzamelingen,
en waarom. Twee
basisbegrippen van de verzamelleer zijn, verzameling en element. In den
beginne is er een element e. Daarmee kan je vervolgens een verzameling V
definiëren: V
= {e,*}. (Lees
daarbij ", *" als: "en eventuele andere elementen";
impliciet bij te voegen in de meeste verzamelingdefinities hierna, ook de
geneste). In principe kan zowat alles element van een verzameling zijn. En
een verzameling kan zelf element worden, een element zelf een verzameling
zijn. Maar
er zijn restricties, en niet zo'n onbelangrijke. De
definitie van een verzameling en die van haar elementen mogen niet van
elkaar afhangen, in elkaar grijpen. Er moet een ondubbelzinnige
"externe productieregel" voor elk element zijn, onafhankelijk
van de verzameling waar het bij gevoegd wordt. Binnenin haar eigen
definitie kan een verzameling dan ook geen
element zijn van zichzelf, en een element kan niet zijn bezittende
verzameling beschrijven: ! V = {e} en e = V kunnen
niet tegelijk gelden, noch ! V = {V}. De
gelijkheid op elementniveau wordt verhinderd door de gelijkheid in de
verzamelingdefinitie en omgekeerd. De accolades { } vormen een scheiding
tussen twee begripsniveaus "verzameling V" en "element
e", zodat een object niet tegelijkertijd deze twee niveaus kan
bezetten. Een
verzameling heeft wel deelverzamelingen, en is namelijk haar eigen
grootste deelverzameling. Maar deze worden gedefinieerd op hetzelfde
accolade-niveau als de verzameling zelf. Voor een deelverzameling D geldt D
Ì V, en
dus ook V
Ì V.
Maar !
V Î V is
"verboden" voor verzamelingen, in tegenstelling tot e
Î {e} en
V Î {V}. Deze
scheiding dient ook in cascade (of in ketting, of genest) gehandhaafd. Zo
kan je twee verzamelingen definiëren: A
= {B}, B = {C}, maar daarbij kan niet !
C = A worden gesteld, want A = {{C}}; en ook niet !
C = B, want B = {C}. De ketting A, B, C kan onbeperkt worden verlengd,
maar elke volgende schakel kan niet met enige vorige worden gelijkgesteld
; een D van C = {D} kan
geen A, B of C zijn, enzovoort. In
de gewone omgangstaal daarentegen kunnen vlotweg eigenaardige en zelfs
paradoxale verzamelingen worden "gedefinieerd". Zoals we net nog
zagen, kan dat eigenlijk zelfs met formele taal, maar dan met een
overtreden van de niveauregel: A
= [A] A
= [[{A}]] B
= [A] en A = [B] Zulke
verzamelingen, waarvan we de definities tussen [vierkante haken] zullen
plaatsen, leiden een louter taalkundig bestaan: een bestaan dat we
"formalastisch" zouden kunnen noemen t.t.z. het taalformalisme
misbruikend. Dit ter onderscheid met de formeel correcte status van een
wiskundige verzameling, die
zoals gebruikelijk tussen {accolades} wordt voorgesteld.
De paradoxen die uit [verzamelingen] kunnen voortvloeien zijn taalkundig,
niet wiskundig van aard. Toch zien ze er soms bedrieglijk wiskundig uit,
en hebben menigeen al verbijsterd. Voorbeelden
van taalzamel: [een
witte verzameling] (wit
is geen eigenschap van verzamelingen, eventueel wel van elementen) [de
derde verzameling] (gegeven
twee verzamelingen. Zie het grapje "Welke (van beide) kies je?"
"De derde!") [een
verzameling van elementen die niet tot deze verzameling behoren]
(is
tegenstrijdig, maar elementen zijn niet gedefinieerd buiten de verzameling
om) [een
verzameling die zichzelf als element heeft] [een
verzameling van verzamelingen die zichzelf als element hebben] [de
verzameling van alle ideeën] (is
zelf een idee). Overigens is er geen universele productieregel om alle
ideeën te noemen. Een idee kan worden "gedacht", er kan aan een
idee worden gedacht, over een idee, aan het denken over een idee... en ook
over het idee van de verzameling van ideeën... Dat geldt trouwens ook
voor de volgende verzameling, een heel gekende: [de
verzameling van alle verzamelingen] Die
zou zichzelf als element moeten hebben. Dus kan zij niet bestaan. Er is
niet zoiets als een universele verzameling. Men kan hoogstens verwijzen
naar een zo algemeen mogelijke referentieverzameling. Zou
men het probleem kunnen verhelpen met een herziene definitie ?{de
verzameling van alle verzamelingen, behalve zichzelf}? Zo
krijgen we een formeel correcte verzameling. Blijft het feit dat er geen
universele productieregel is om alle elementen te noemen, laat staan om
alle verzamelingen daarover te definiëren. Het is dus eigenlijk een grote
bak waarin je alles mag stoppen wat je aan samenhangende verzamelingen
kunt bedenken, zonder de bak ooit te kunnen vullen. Bertrand
Russell creëerde met [de
verzameling van alle verzamelingen die zichzelf niet als element hebben] de
volgende paradox. Indien
deze verzameling zichzelf als element zou hebben, is ze zo'n verzameling
die niet zichzelf als element heeft wat in tegenspraak is; en indien ze
zichzelf niet als element zou hebben, hoort ze bij de verzamelingen die
element van zichzelf zijn wat ook in tegenspraak is. Maar zoals we nu
weten, bestaan laatstgenoemde verzamelingen eigenlijk niet en vormen samen
niets anders dan de ledige verzameling; de verzameling van Russell wordt
dan gelijk de universele verzameling, en die bestaat niet. De paradox is
taalkundig, niet wiskundig. Ook
hier kan men er toch uit proberen te raken door de vraag waar de
verzameling thuishoort ten opzichte van zichzelf, te stellen vóórdat men
de verzameling "finaal" definieert, en in die definitie de
verzameling zelf te onderscheiden van "alle" overige elementen. Stel,
ze is geen element van zichzelf, dan moet de definitie eigenlijk luiden: ?{de
verzameling van alle verzamelingen die zichzelf niet als element hebben,
met uitsluiting van zichzelf} Is
ze echter wel een element van zichzelf, dan wordt de definitie: [de
verzameling van alle verzamelingen die zichzelf niet als element hebben,
én met zichzelf erbij] Deze
laatste kan niet bestaan, want heeft zichzelf als element. Het is
eigenlijk andermaal de universele verzameling, immers erbuiten bestaan er
ook geen verzamelingen met zichzelf als element. De eerste is de herziene
universele verzameling, verbeterd met de clausule "behalve
zichzelf". De
universele verzameling is een voorbeeld van waar er in de wiskunde
paradoxen op de loer liggen, en wel door het gebruik van het woordje
"alle": een heel verraderlijke (maar intuïtief o zo
aantrekkelijke) hefboom voor definities van verzamelingen, maar
bijvoorbeeld ook bij stellingen allerhande, waarover later meer. De
verzameling van Russell toont de subtiele wijze waarop verzameling- en
element-definities in elkaar kunnen grijpen zodat minstens een element
niet expliciet, buiten de verzameling om, is gedefinieerd. Wat maakt
eigenlijk een goed element? We
zagen dat een verzameling haar bestaan ontleent aan dat van een of meer
elementen (met inachtname van de nodige omzichtigheid): "in den
beginne is er het element". Wat is nu de bestaansinhoud van zo'n
element? Men is geneigd te stellen: elk bestaand object kan element zijn
van een verzameling. Zijn het object en het element dan hetzelfde ding?
Niet dus. Een
object leidt een eigen bestaan, dat zich kan afspelen in de fysieke ruimte
en tijd, of zelfs in onze collectieve of jouw persoonlijke geesteswereld.
Dat bestaan manifesteert zich buiten welkdanig voornemen ook, om het
object in kwestie als verzamelelement te beschouwen. Een
verzamelelement bestaat slechts bij gratie van de wil om het bij een
verzameling te betrekken (wel, volgens sommigen bestaan wiskundeobjecten
zoals verzamelingen ook wanneer ze niet door iemand worden gedacht).
Eenmaal "gewild" kan het element evenwel een onbeperkt aantal
malen verschijnen in een onbeperkt aantal verzamelingen. Een
element IS dus niet het object, het is een subjectieve verwijzing naar een
objectief object, een naam voor een ding. En het bestaan van de naam hangt
niet af van het bestaan van het ding. Ik
kan onbestaande dingen noemen: de
eenhoorn, de vierkante cirkel, de leider van de Martianen, mijn
spiegelbeeldige zelf, mijn antimateriële zelf, mijn volgende reïncarnatie,
de dichtste reële buur van het getal nul, de dichtste rationale buur van
het getal pi. En
vermits onmogelijke dingen genoemd kunnen worden, kunnen ze ook elementen
zijn van een verzameling. Of elementen kunnen slaan op onmogelijke dingen.
Anderzijds zijn er bij mijn weten geen onmogelijke elementen, zijn er dus
geen dingen die niet als element van een verzameling kunnen worden gedacht
(er zijn wel onmogelijke relaties
element-verzameling). Voorbeelden
van verzamelingen van onmogelijke dingen: {10
mythologische figuren} {20
onmogelijke meetkundige figuren} {de
naaste reële buren van 0 en pi, en de natuurlijke wortel van 2} Je
kan steeds wel de nodige elementen van deze verzamelingen bedenken.
Daartoe moeten die elementen verwijzen naar objecten waarvan het bestaan
of het niet bestaan vastgesteld kan worden buiten het definiërend
formalisme om, waarmee element en verzameling worden verbonden. Verzamelingen
zelf kunnen onmogelijk zijn. We noemden er al enkele. Andermaal: de
verzameling van [zichzelf] is een onbestaand wiskundig object. Dat
zijn ook de verzamelingen van: [alle
ongeboren mensen] [alle
onbestaande elementen] [alle
onmogelijke verzamelingen] Er
is hier namelijk geen universele productieregel voor -alle- onbestaande
dingen. Zulke onbestaanbare verzamelingen kunnen, zoals elk ander object,
op hun beurt als onbestaand ding verzameld worden: {30
onmogelijke verzamelingen} Men
zegt o zo makkelijk: zij deze appel een element a van verzameling A. Een
appel is, maar hij is geen element van een verzameling. Hij trekt
zich niets aan van wat onze geest met het beeld van de appel aanvangt. Wij
maken een abstractie "de appel" van de appel, en daarvan maken
we een verdere abstractie "element van een verzameling". De
appel zelf is een object dat een cyclus van bestaansvormen doormaakt: nog
niet gevormd, bloem, bevruchte bloem, kiem, groeiend, al dan niet
volgroeid, van de boom gevallen of geplukt, in de schuur, in de winkel, in
de fruitschaal, onrijp, rijp, rot, opgegeten... Een geheel van moleculen,
atomen, elementaire deeltjes en straling,... Een structuur met een schil,
vruchtvlees en een kern met pitten,... Een ding met smaak zus en kleur zo,
met gewicht x, waterinhoud y% en met N erop en erin levende organismen,
dat alles op een gegeven moment t... "De appel" maakt abstractie
van deze aspecten, maar elk daarvan kan zelf weer aanleiding geven tot een
geestesbeeld, en verderop tot een element-definitie. Bovendien krijg je
naast elk mogelijk element "de appel" het algemeen begrip
"Appel" zonder verwijzing naar een specifiek exemplaar, en ook
dat kan element worden voor een verzameling. Eén element? Is er wel één
begrip "Appel"? De Appel als eetwaar, in de schilderkunst, in de
bijbel, in de literatuur, in de landbouwsector, in de economie, in de
geschiedenis, in de beschouwingen over de verzamelleer, als louter
abstract idee omwille van niets anders... En dan hebben we het nog
nauwelijks over het aspect van de Tijd gehad. De appelen van de toekomst,
de Appel van de toekomst, en zelfs die van het verleden, zelfs van het
heden: niemand "kent" ze of kent ze allemaal, dus er kan geen
"volledige" verzameling van worden vastgelegd, kan die
verzameling dan "bestaan"? En dan heb je nog de
twijfelgevallen... wanneer houdt een appel op appel te zijn? Een
onvolgroeide, een verkankerde wildgroei. Of op het pad van de evolutie:
wanneer heb je al een appelboom, en wanneer heb je nog een
"rozelaar"? Het begrip appel is, zoals alle levensvormen, niet
scherp genoeg gedefinieerd om zich ondubbelzinnig af te bakenen van
verwante begrippen. We
moeten ons er maar bij neerleggen dat we nooit alle elementen kunnen
"produceren", dat de term "alle elementen" een chimere
is. En dan ook de term "alle verzamelingen". Laten we dus, ons
beperkend tot een fysiek of geestelijk wezenlijk element, eens onderzoeken
hoe zo'n element een verzameling kan aankleden. Een
element "de appel" kan namelijk eenmalig, maar ook bij herhaling
optreden in de definitie van verzamelingen, zelfs binnen die van één
verzameling! Dit doet de vraag rijzen: hoe rijm je de uniciteit van een
element met zijn herhaald gebruik? Is het dan nog eenzelfde element, of
zijn het klonen van eenzelfde element, of zijn het verschillende dingen
die je van elkaar kan onderscheiden? Een
onderscheidend principe moet blijven bestaan, namelijk: elke manifestatie
van een element in een of meer verzamelingdefinities moet onderscheidbaar
blijven wat betreft zijn plaats of "niveau". Je kan twee
dezelfde element-"klonen" niet gewoon naast elkaar zetten. Wel
kunnen ze bijv. verschillend ingebed liggen in een of meer verzamelingen. Zij
a = "de appel". De
verzameling {a} is goed gedefinieerd, maar [a,a] is geen correcte
definitie. Wel kan je zeggen dat je twee keer aan a denkt, maar dan maak
je een nieuw denkbeeld "gedachten aan a", waarvan er dan
verschillende "verzameld" kunnen worden: {a',a"}={eerste
en tweede gedachte aan a} Anderzijds
is {a,{a}} opnieuw goed gedefinieerd, want eenzelfde element speelt een
rol op 2 verschillende niveaus. Definieer
nu volgende verzamelingen: {a} {a,
{a}} {a,{a},{a,{a}}} {a,{a},{a,{a}},{a,{a},{a,{a}}}} Het
element "de appel" vermenigvuldigt zijn bestaan op
duizelingwekkende wijze. Is het mogelijk (en nodig?) om al die
verschijningen "a" van elkaar te kunnen onderscheiden? Zien we
hier een voorbeeld van waar het probleem van het fameuze Keuze-axioma om
draait? Ik laat deze vraag maar open... Wat
alvast niet kan, is om dit proces ONbeperkt, "tot in oneindig",
voort te zetten: [a,{a},{a,{a}},{a,{a},{a,{a}}},{a,{a},{a,{a}},{a,{a},{a,{a}}}},
...] Het
"oneindigste" element hiervan is immers deze [verzameling] zelf,
of nog: de [verzameling] pakt zichzelf als "oneindigste" element
in, en verliest daarbij zijn wiskundige natuur. Zulk
procédé wordt nochtans gebruikt om de verzameling natuurlijke getallen
op te bouwen, steunend op een element a = de ledige verzameling. Hieruit
besluit ik dat men weliswaar elk natuurlijk getal op deze wijze kan
construeren (als aantal elementen van een eindige verzameling), maar niet
het een of ander getal "omega" of "oneindig" dat aan
de limiet de natuurlijke getallen staat op te wachten (want de oneindige
[limietverzameling] is wiskundig onbestaande, en kan dan ook geen oneindig
aantal benoemen). Zie het thema over het getal oneindig, verderop. Het
kan nog erger. Definieer volgende verzamelingen: {a} {a,{a}} {a,{a,{a}}} {a,{a,{a,{a}}}} Onbeperkt
voortzetten leidt tot: [a,[a,[a,[a,[...
...]]]]] Elk
onderdeel [... ...] is
identiek aan de [moederverzameling], die dus een "oneindig"
aantal keer als element in zichzelf genest ligt. Je
kan een verzameling niet fractaal inbedden in zichzelf, zonder de
wiskundige aard van de verzameling te verliezen. Bestaat de keuze
waar/onwaar altijd? Wat
maakt een uiting van de geest tot een bewering, een stelling, een
uitspraak over iets? Zijn een bewering, en de stelling dat die bewering
waar is, hetzelfde? Over deze vraag even nadenken, en het antwoord is
neen. Gegeven een stelling (s), dan is de stelling "s is waar"
een nieuwe stelling, net zoals de stelling "s is onwaar".
Stellingen die over het waar-zijn van andere (moeder-) stellingen gaan
zullen we dochter- of meta-stellingen noemen. In
eerste instantie, in den beginne, is er evenwel een basis- of oerstelling
s die niet over het waar zijn van een stelling gaat, ook niet van zichzelf
(die laatste bewering zit wel impliciet ingebakken in het expliciet
beweerde). Waarover zo'n stelling dan wel gaat: over "iets" in
de buitenwereld, over objecten daarin en hun onderlinge relaties. Het
waar zijn of niet van een meta-stelling volgt mechanisch uit het waar zijn
of niet van de moeder-stelling, volgens elementaire uitspraken-logica.
Maar het waar zijn of niet van een basis-stelling volgt uit een consensus
over waarnemingen van een stuk buitenwereld. Het is geen resultaat van
uitspraken-logica. Laat
ons nu vertrekken van zo'n oerstelling a, die iets over "de wereld
daarbuiten" beweert. Deze stelling genereert nu een onbeperkte reeks
metastellingen, als volgt: a
(bijv. a = "alle mensen zijn sterfelijk") "a
is waar" ""a
is waar" is waar" """a
is waar" is waar" is waar" ... Maar
ook: a "a
onwaar" ""a
onwaar" onwaar" """a
onwaar" onwaar" waar" ... en: """a
waar" onwaar" onwaar" """a
onwaar" waar" onwaar" ... waarvan
allemaal kan worden onderzocht of die weer waar of niet waar zijn. Stel
dat we "is waar" als 1 schrijven, en "is onwaar" als
0, en zij x de waarheidswaarde van de stelling a zelf (a geeft zichzelf
impliciet een 1, maar een expliciete waarneming kan bij consensus een 1 of
0 opleveren). Al de genoemde stellingen nemen zo de volgende vormen aan: x;
x1; x11; x111 ... x;
x0; x00; x001 ... x100;
x010 ... een
willekeurige stelling: x011100100010010101011101010001... Er
zijn evenveel zulke "eindige" stellingen als er natuurlijke
getallen zijn. Daarbovenop zijn er evenveel "oneindige"
stellingen als er reële getallen zijn (in binaire ontwikkeling tussen 0
en 1). En vanaf het waar zijn of niet van a (vast te stellen buiten de
logica), zijn er ware en onware meta-stellingen, "ware en onware
getallen" (vast te stellen binnen de logica). Niet
van alle oneindige meta-stellingen echter kan de waarheid getoetst worden:
die overeenstemmend met irrationale getallen (niet repeterende reeksen
enen en nullen "tot in oneindig") blijven onbeslist. In feite
geldt dat voor alle getallen die tot in het oneindige nullen kunnen
bevatten, ook de rationale getallen met nullen in hun repeterende reeksen.
Enkel getallen die vanaf een bepaalde rang alleen nog enen hebben zijn
beslisbaar. Inderdaad,
in een ketting 11111..., hetzij """"...
is waar" is waar" is waar..." heeft elke schakel dezelfde
toestand, waar of onwaar, als zijn voorganger. Dus ook de volledige
ketting. Maar
in een ketting waarin onbeperkt de schakel ...0..., hetzij "...
is onwaar" kan optreden, alterneren zulke schakels telkens weer
tussen een toestand van waar zijn en een van niet waar zijn. In de limiet
is geen van beide toestanden permanent, en de toestand van de volledige
ketting blijft onbeslist. Een
andere manier waarop het onderscheid waar/onwaar in een patstelling komt
is, wanneer de stelling a, in plaats van objecten in de buitenwereld, als
object zichzelf neemt. Een stelling die zichzelf in de staart bijt a.h.w.
We
komen dan terecht bij de leugenparadox. Zolang
a over fenomenen buiten zichzelf gaat is er geen probleem, zoals bvb. a
= "alle mensen zijn sterfelijk". Maar
wat met a
= "a is onwaar" ? Het
besluit "a waar" zou dan betekenen ""a is onwaar"
is waar", dus "a onwaar", terwijl "a
onwaar" oplevert ""a is onwaar" is onwaar",
hetzij "a waar". Om
waar te zijn moet a onwaar zijn, en omgekeerd: er is een
tegenstrijdigheid. Stelling a lijkt dus niet te kunnen bestaan, of
tenminste geen toestand te kennen van waar of onwaar zijn. Het is een
paradox. Waarom? Een
meta-stelling "a is onwaar" neemt de tegentoestand aan van de
stelling a waar ze op teruggrijpt. Wanneer zo'n stelling dat echter op
zichzelf gaat toepassen wil ze haar eigen toestand tegenspreken! Maar is
het dan nog een echte stelling, of enkel een van betekenis ontblote
taalspitsvondigheid? Dat laatste lijkt me het geval. Zo'n
stelling is als een acteur die verschillende rollen wil spelen van
personages die weliswaar met elkaar moeten dialogeren. Een meta-stelling a
zegt dat een stelling a onwaar is, en stelling a zou iets moeten beweren
over een buitenwerelds object a. Maar
er ís zo geen object a dat aan een "objectieve" waarheid
getoetst kan worden, er ís geen basisstelling a over zo'n object, er is
alleen een [meta-stelling a] die zich van de wereld van basisstellingen
heeft afgesneden door naar zichzelf te verwijzen. Het is een
"formalastisch" monster in de wereld van de logica, zoals de
[verzameling die zichzelf als element bevat] in die van de verzamelleer. En
zoals bij de [verzamelingen], kunnen ook [meta-stellingen] elkaar in de
staart bijten. Aldus: [a
= "b is onwaar"] [b
= "a is waar"] Ook
hier de paradox: om waar te zijn, moeten a en b onwaar zijn. Laten we
nogmaals de logische niveaus expliciet vermelden. Meta-stelling a is waar
als stelling b onwaar is, dus als object a onwaar is. Of meta-stelling b
is onwaar als stelling a onwaar is, dus als object b waar is. En, mutatis
mutandis, nog twee andere formuleringen. Maar
wat zijn de objecten a en b? Er zijn er geen, en er zijn ook geen
basisstellingen a en b over. Er is alleen een vals paar [meta-stellingen],
zoals eerder A = [B] en B = [A] een vals paar verzamelingen vormde. De
logici hebben, of maken, naar verluidt minder problemen met stellingen
als: a
= "a is waar", of nog a
= "b is waar" en b = "a is waar", of a
= "b is onwaar" en b = "a is onwaar". Hier
volgen inderdaad geen paradoxen uit. Ze kunnen schijnbaar vredig naast
elkaar (of zichzelf) bestaan, in waarheid of onwaarheid. Toch zijn het
even "wereld-vreemde" stellingen, zonder toetsingscriterium in
de buitenwereld. Kan
een leugenaar van zichzelf zeggen dat hij liegt? Ja,
maar dan doet hij de op hem slaande definities, namelijk hijzelf als
zijnde "iemand die steeds onwaarheid spreekt", of zijn
uitspraken als een verzameling {leugens}, in elk geval teniet. Die
definities worden namelijk onvolledig of onjuist in het licht van zijn
jongste uitspraak. Stel
dat hij het over zijn vroegere uitspraken heeft: "Ik
loog". Dan
is er geen paradox. Er kan immers in principe en objectief nagegaan worden
of ie liegt met zijn bewering dat hij liegt (zo ja, dan sprak hij vroeger
wel eens de waarheid en was dus geen leugenaar) of, integendeel, de
waarheid spreekt (dan was hij vroeger inderdaad een leugenaar, maar met
zijn huidige uitspraak niet). Spreker is dus niet langer beperkt tot
leugens: de hem betreffende definities dienen herzien. Het
wordt helemaal staartjebijten als hij zich uit komt te spreken over wat
hij op het ogenblik zelf beweert: "Wat
ik nu zeg is gelogen". Deze
uitspraak is onbeslisbaar, en alle meta-uitspraken erover meteen ook. Er
is een paradox. Maar er is dan ook geen zuiver-op-de-graat-uitspraak. Hij
gaat over zichzelf en levert geen falsifieerbaar criterium dat, buiten de
uitspraak om, op waarheidsgehalte getest kan worden. Hij is als een
element dat zichzelf tot zijn opsommende verzameling opblaast, of als een
verzameling die niets anders opsomt dan zichzelf... Het is wel een
taalkundig correcte zin, maar geen stelling. Dus ook geen leugen: de
definities dienen herzien. En de paradox verdwijnt. Het
is het vasthouden aan (eerder gedane)
definities in het licht van nieuwe stellingen (of onfalsifieerbare
"zinnen") dat leidt tot paradoxale of pre-paradoxale situaties.
Het volstaat de definities aan te passen. Er
zijn overigens genoeg zinnen die geen stelling zijn. Vraagzinnen
bijvoorbeeld: Regent het? Wie is dat? Is die stelling waar? Of een gebod:
spreek! Niet roken. Van die zinnen op zich stel je niet de vraag of ze
waar zijn. En wat met sprookjes: er was eens... Als de leugenaar je nu
eens opdroeg om de directeur te vragen of hij een sprookje wil vertellen?
Dan heb je geen leugen (meer). Maar het karakteristieke van de
staartbijtzin is wel dat hij het formalisme van een logische uitspraak
imiteert, het is een "formalasme". De
leugenaar is er andermaal niet enkel toe beperkt zichzelf in de staart te
bijten. Er kan meer dan een partij in de vicieuze cirkel zitten: A:
"B liegt." B:
"A heeft gelijk." Nogmaals,
als het over hun vroegere beweringen gaat is er geen probleem tenzij een
herziening van de definitie van de leugenaar(s). Maar
je krijgt de paradox bijv. met: A:
"Wat B nu gaat zeggen is gelogen." B:
"Wat A net zei is de waarheid." Dat
is eenzelfde soort kortsluiting als bij de twee verzamelingen die elkaar
als hun respectieve element definiëren. En we zijn weer terug bij
"kale taal": zinnen die zich als logische stellingen aanbieden
om een van logische grond gespeende uitspraak te doen. Sommige
leugenparadoxen lijken op de paradox van Russell in de verzamelleer. Zo
is er de paradox van de kapper: de kapper van het dorp kapt alle mannen
van het dorp die niet zichzelf kappen. Kapt de kapper zichzelf of niet? Zo
ja, dan niet. Zo nee, dan wel. En
zoals bij de paradox van Russell, bestaat ook de kappersparadox bij gratie
van onvoldoende uitgedrukte verbanden tussen de verschillende medespelers.
In
dit geval is de paradox te wijten aan het onterecht gelijkstellen van twee
verzamelingen, namelijk: K1
= {mannen van het dorp die niet zichzelf kappen}, en K2
= {mannen van het dorp die door de kapper gekapt worden}. Dat
kon gebeuren omdat de relatie van het element k
= "man van het dorp die kapper is" tot
K1 (of tot K2) niet vermeld werd, laat
staan in de probleemstelling meegerekend. Als dat eenmaal
gebeurt, dan kan K2 correct worden afgeleid van K1 (of omgekeerd) én van
diens relatie tot k. De
uitweg bestaat dan ook, bijvoorbeeld, in het antwoord op de vraag: Hoort
k in K1 ? Indien
ja (k kapt niet zichzelf), dan luidt de juiste relatie: "k
kapt allen van K1, behalve zichzelf", of K2
= K1 zonder {k}. Indien
nee (k kapt zichzelf), dan wordt de relatie: "k
kapt allen van K1, én zichzelf", of K2
= K1 samen met {k}. (Je
kan zoals gezegd de oefening ook doen door de relatie k-K2 te bekijken en
daaruit K1 af te leiden.)
|