Onze "thuis":

Belangrijke data voor de bloemen -en insectentuin.

16 november 1980 : start van de werkzaamheden op het terrein.

2 maart 1981 : 1ste vergadering “werkgroep bijentuin”, wat de aanzet was voor een VMPA-werking als afdeling Schilde.

15 juni 1985 : Officiële opening van de bijentuin door de burgemeester van Schilde.

 

BijLogo.jpg (21751 bytes)

HommelAndoorn.jpg (76083 bytes)

Sleedoornpage.jpg (103270 bytes)

-Toenmalig logo
-Hommel op Andoorn
-Sleedoornpage

Beheersplan

Onze ploeg zorgt voor een beheersplan . De gemeente zorgt dat een personeelslid  het onderhoud doet .

Voor sommige onderdelen springen we zelf nog bij, zeker als er  nieuwe projecten worden uitgewerkt .

Ook zorgen wij voor het zaai- of plantgoed .

Geschiedenis van de tuin

Het idee is onstaan tijdens het jaar van het dorp, toen de Imkers met het voorstel aankwamen om een BIJENWEIDE aan te leggen.  Immers dit dient dan als voedselbron voor de bijen.  Dit idee werd doorgespeeld aan de tuinarchitect (Jos Ratinckx) van de Dodoenstuin.  Deze toen 80-jarige man gaf zijn plan/vraag door aan de VMPA.  De VMPA aanvaarde dit ‘voorstel’ op voorwaarde dat de tuin een educatieve waarde zou hebben, waarbij vooral de relatie tussen insecten en planten naar voor zou komen.

Jos Ratinckx was tuinaanlegger/ontwerper. In zijn tijd ging het nog om één opleiding: nu is dat gescheiden. Samen met kunstschilder Lommaert (van het rustieke boerderijtje in de bocht van De Pont, diens weduwe woont daar nog steeds) is hij in 1974 begonnen met de aanleg van de Dodoenstuin.  1977 was het "Jaar van het Dorp", naar aanleiding daarvan lanceerde Ratinckx samen met de Imkersbond van Schilde bij de gemeente het voorstel om een Bijentuin aan te leggen. Paul Stykckers is daar dan een paar jaar later bijgekomen vanuit het CVN. Ratinckx heeft een plan getekend voor de Bijentuin. De ontdekking van een voormalig tennisveld op de site maakte het plan echter gedeeltelijk onuitvoerbaar. Paul heeft het plan dan hertekend, in de stijl van Ratinckx.  Het plan van het leslokaal is getekend door een architect die bij de overheid werkte. Het leslokaal was voor de Bijentuin bedoeld, maar werd door de schildersclub in gebruik genomen.

 

Relatie insecten met planten

Koninginnepage.jpg (82649 bytes)

Insecten verrichten hun diensten als stuifmeeltransporteur niet voor niets. Voor wat hoort wat.  De meest voorkomende beloning is een of andere vorm van voedsel; dit kan het stuifmeel zelf, een suikeroplossing(nectar) of een combinatie van beide zijn.  Er zijn nog andere ‘beloningen’ mogelijk.  Voordeel voor de planten is dus (kruis-)bestuiving met mogelijke bevruchting als gevolg.

Lokmiddellen: kleuren(+ honingmerk), geur, formaat en vorm.  Zo hebben honingbijen en hommels een duidelijke voorkeur voor holle bloemvormen.

Stuifmeel vormt een uitgebalanceerd voedingsmiddel  met een hoge calorische waarde, dat eiwitten, vrij grote hoeveelheden zetmeel, suikers, vetten of olien, mineralen, antioxydanten en vitamines zoals thiamine bevat.  Ook is het rijk aan aminozuren.

Bekende stuifmeelbloem zijn: klaprozen, wilde rozen, brem, boterbloemen en veel anemonen.

Bvb. de koningskaars heeft voedselmeeldraden(steriel of minder levenskrachtige pollen), zo ook nachtschade.

Orchidee-en hebben stuifmeelklompjes(pollinia).

Bij het koolzaad blijkt het stuifmeel over een bepaalde afstand te kunnen springen om zich vast te hechten aan het lichaam van de bestuiver, later kan het op dezelfde manier van het dier op een ontvankelijke stempel overspringen(werkingsprincipe = statische elektriciteit).

Voedselpakketten als alternatief van onvruchtbaar stuifmeel, dienen vooral voor grotere formaten van bestuivers(kevers, vogels, vleermuizen).  Vb. Brandewijnbloem à kevers.

Nectar: de ideale brandstof, de produktie ervan kan geregeld worden(aanbod=”ontlasting”/vraag).  Nectar wordt uit de bloem gehaald door de bij en die zal een gedeeltelijke vertering doen zodat nectar honing wordt , dus nectar  bestaat uit niet verteerde suikers.  De honingklieren(nectarien) kunnen in complexe structuren voorkomen om bepaalde insecten te bevoordelen.  Bvb het juffertje-in-het-groen(Nigella) alleen voor bedreven honingbijen.  De voornaamste suikers in nectar zijn: glucose, fructose en sucrose.

 Hommel op zoek naar wat nectar op een bosje duizendblad

Hommel.jpg (57805 bytes)

Bij met hommel op kaardenbol


BijKaardebol.jpg (78550 bytes)

 

Over de oliebloem en haar bij .
De aard van deze relatie is +/- in 1975 opgehelderd . Klierharen op de voet van de helmdraden scheiden een soort vette olie af (wordt een bloeiende Wederik te drogen gelegd, dan vormt deze olie op papier vaak een geelgroene vlek) . Vrouwelijke Slobkousbijen verzamelen de olie met behulp van zuigkussentjes aan de binnenkant van hun voorste vier poten. Tijdens de inzamelijng raakt het borststuk van de bij met stuifmeel bedekt.  In de vlucht hevelt de bij olie en stuifmeel over naar reservoirs aan de achterpoten, de "slobkousen",  waaraan zij haar naam te danken heeft . Tijdens het bloembezoek worden deze poten omhoog gestrekt, om het verlies van het verzamelde te voorkomen . Intussen vindt ook de bestuiving van de wederikbloem plaats.  Mannelijke Slobkousbijen bezoeken deze bloemen alleen omwille van de vrouwtjes.  Nectar bezitten ze niet, die wordt door beide seksen uit andere bloemen gehaald.  Het mengsel van olie en stuifmeel dient als voedsel voor de bijenlarven.  Opvallend is dat de Slobkousbij (Macropis europaea) een grote synchronisatie heeft met de Grote wederik : de bij verlaat de pop rond de langste dag, vrijwel tegelijk met het in bloei komen van de Wederik.  Behalve Grote wederik hebben ook Penningkruid en gekweekte Puntwederik olie producerende bloemen.
HetBijtje.jpg (38756 bytes)

Harsen en was:  bouwmateriaal.

                                                                                                                                                   

Soorten bestuiving

Zelfbestuiving: stuifmeel komt op de stempel van dezelfde bloem  Geen uitwisseling van genetisch materiaal, inteelt, slecht aanpassingsvermogen.

Buurbestuiving: stuifmeel komt op een andere bloem van dezelfde plant terecht Ongeveer als zelfbestuiving.

Kruisbestuiving: stuifmeel bereikt de stempel van een bloem van een andere plant.

Bij kruisbestuiving treedt een uitwisseling op van erfelijk materiaal è betere aanpassingsmogelijkheden(evolutie)

Technieken om zelfbestuiving te voorkomen.

Het incest-taboe: zelbestuiving heeft een aantal nadelen voor de overlevingskansen van een soort en derhalve hebben planten verschillende mechanismen ontwikkeld om dit te voorkomen. Bij de bloemen van het wilgeroosje bvb komen in de laagst geplaatste, oudste bloemen ontvankelijke stempels voor, terwijl de bovenste, later opengegane bloemen rijpe meeldraden bevatten.  Door kruisbestuiving krijgen we variatie waarbij door een natuurlijke selectie het erfelijk materiaal van een soort zodanig evolueert dat het beter opgewassen is tegen problemen van overleving en voortplanting.

è technieken tegen zelfbestuiving:

n       zelfsteriliteit(incompatibiliteit) = chemische barrieres

n       ruimtelijke scheiding(herkogamie) = barrieres ts mannelijke en vrouwelijke structuren binnen een bloem
Vb: orchidee-en, zijdeplanfamilie à pollinia of ‘stuifmeelklompjes’, bij orchidee-en worden de pollinia gescheiden gehouden van de rijpe stempels door een steriel aanhangsel(rostellum).

n       temporele scheiding(dichogamie) = mannelijke en vrouwelijke organen niet tegelijk rijp. Proterandrie(eerst meeldraden rijp) en protogynie(eerst stempels rijp).
Proterandrie: meeste compositen, veel lipbloemen en vertegenwoordigers van de helmkruidfamilie.  Vb Vingerhoedskruid!
Protogynie: waterlelies, tulpeboomfamilie, aronskelkfamilie, pijpbloemenfamile ea. Vb: weegbreesoorten(windbestuiving)

n       eenslachtige bloemen = tweehuizigheid.
Vb. Wilgeachtigen, berken, elzen, hazelaar, lisdodde, de meeste zeggen en veel aronskelken

n       bloemen met meerdere verdiepingen: heterostylie = de ontwikkeling van twee of zelfs drie typen tweeslachtige bloemen binnen een bepaalde plantensoort, waarin meeldraden en stampers op verschillende hoogte.
Vb. :
- bepaalde sleutelbloemen = distylie, + ook vooral in de walstrofamilie.  Verminderde kans op zelfbestuiving door twee typen bloemen, een met korte stijlen en hooggeplaatste meeldraden, en een met lange stijlen en kortgeplaatste meeldraden. Langstijlige bloemen zijn alleen ontvankelijk voor stuifmeel afkomstig van helmknoppen van kortstijlige bloemen en omgekeerd.
- Kattestaart heeft bloemen met twaalf meeldraden die in groepen van zes staan en in drie maten voorkomen: lang kort en middelmaat.  Iedere bloem heeft maar twee typen meeldraden.  De stamper kan eveneens kort, lang of middelgroot zijn, maar is altijd van een andere lengte dan de meeldraden.  Elke plant draagt bloemen met slechts een van de drie mogelijke combinaties van meeldraad- en stijllengte.  Kruisbestuiving wordt bevorderd, omdat de kans dat een bloem stuifmeel van een andere bloem van hetzelfde type ontvangt, klein is.

Bloemklassen

Co-evolutie van bepaalde bloemen en bestuivers è bloemklassen:

n       Het open-huisprincipe en de rol van vliegen en kevers.
Vb. Schermbloemenfamilie met Engelwortel, Wilde peen.  Klimopfamilie.  Kamperfoeliefamilie(Vlier, Gelderse roos)

n       Zweefvliegen als bestuivers.
Vb. Weegbreesoorten, cypergrassen, lisdodden, schermbloemen, …

n       Bestuiving door paddestoelmuggen

n       Kevervalkuilen
Vb. Aronskelk, Tamme kastanje

n       Bestuiving door bijen
Vb. Libbloemenfamilie en Vlinderbloemigen: salie,  klavers, lupinen, vigerhoedskruid, wilgeroosje, monnikskap, de meeste riddersporen, leeuwebek, vlasbek, bosbes, witte dovenetel, kartelblad, ratelaar, klaprozen(stuifmeel)

n       bestuiving door euglosinne bijen
Mannelijke bijen v/h geslacht Euglossini à orchidee-en.

n       Euglossine bijen en de scherpschutters van het geslacht Catasetum(Z. Amerikaanse orchidee-engeslacht)

n       De onvermoeibare honingbij

n       Bestuiving door mieren

n       Bestuiving door wespen

n       Vijgen en vijgwespen

n       Bestuiving door nachtvlinders

n       Bestuiving door dagvlinders

n       Bestuiving door vogels

n       Bestuiving door niet-vliegende zoogdieren

n       Bestuiving door vleermuizen

                                                                                                                                                   

Bloemtypes(vereenvoudigde onderverdeling van insectenbloeiers)

 Tekeningen van de types, zie demonstartiebord + aanduidingen op de etiketten in de bloemen- en insectentuin.

I)        Type 1: vbn. Ranonkelfamilie(boterbloemen); Rozenfamilie; Ooievaarsbekfamile; Papaverfamilie
* veelzijdig symmetrisch
* schotelvormig
* niet-vergroeide kelk- en kroonbladeren
Belangrijkste bestuivers: korttongige vliegen en bijen, wespen, keversen wantsen, vlinders
Muller: A = vrijliggende nectar, AB = halfverborgen nectar, (B = verborgen nectar)


II)      Type 2: vbn. Anjerfamile(silenes en koekoeksbloemen); Sleutelbloemfamilie
* veelzijdig symmetrisch
* kelk en kroon al dan niet vergroeid, een kelk- en kroonbuis vormend, of bloem met verdiepte bloembodem
Belnagrijkste bestuivers: zweefvliegen, kort- en langtongige bijen(hangende bloemen), vlinders
Muller: B = verborgen nectar, L= ingesteld op vlinderbezoek (Lepidoptera) - lange en nauwe kroonbuis


III)    Type 3: vbn. Klokjesfamilie; Narcissenfamilie; Windefamilie
* veelzijdig symmetrisch
* klokvormig
* kelk en kroon meestal vergroeid
Belangrijkste bestuivers: zweefvliegen, hommels, bijen
B = verborgen nectar


IV)    Type 4: vbn. Duivekervelfamilie; Ranonkelfamilie(Monnikskap); Vlinderbloemenfamilie
* tweezijdig symmetrisch
* bestuiving via de onderzijde v/h insekt.
Belangrijkste bestuivers: langtongige bijen en hommels
Muller: H (Bb) = ingesteld op bijenbezoek


V)      Type 5: vbn. Helmkruidfamilie(Ogentroost, Vlasbekje, e.a.); Lipbloemenfamilie; Orchidee-enfamilie
* tweezijdig symmetrisch
* bestuiving via de bovenzijde v/h insekt.
* sommige bloemen hebben een spoor
 Belangrijkste bestuivers: langtongige bijen en hommels
Muller: H (Bb) = ingesteld op bijenbezoek


Opm.:

a)    Muller klasse: Po = stuifmeel- of pollenbloemen

b)    variant type 1 = Schermbloemigen, Muller = B1

c)       variant type 2 = Composieten, Muller = B1

d)      overgangsvormen: Lipbloemenfamilie soorten(Munt, Tijm)

e)       “Type 6” = niet tot bovenstaande 5 types behorend

f)        Muller: L= Vlinders, D = Vliegen, H = Bijen, B1 = Samengesteld bloemigen

g)      Kleurconventie: Geel = Bijen, Rood = Hommels, Blauw = Vlinders, Groen = Wespen, Wit = Vliegen

De Bloemen- en Insectentuin
brochure:
Karl Hellemans

BIT1.jpg (1195004 bytes)

Deze mooie brochure staat ter beschikking voor de luttele 2,50 Euro, plus eventuele verzendingskosten.
Karl Hellemans, Oude Baan, 130 2970 Schilde tel. 03/3832658