REFERENTIELE
HULPVERLENING
en BEGELEIDING
Aan problemen werken kan op
verschillende wijze. Problemen kunnen aan de oppervlakte aangepakt worden,
zodra ze zichtbaar worden. Problemen kunnen ook in de diepte aangepakt worden, voor
ze zichtbaar worden. De aandacht kan dan gericht worden op de
onderliggende processen die aanleiding geven tot de ervaren problemen.
In het verleden heeft men
steeds gezocht naar diverse wijzen om iets, een probleem of een opgave aan te
pakken. De een kwam aan met deze methodiek de ander met weer een andere.
Hier wordt een referentieel model voorgesteld waarin de verschillende
oplossingsmethoden een plaats vinden.
Referentieel staat voor waar naar verwezen wordt bij
de aanpak van iets.
lief zijn is :
.. alles toelaten .. (refereren naar situatie)
.. zichzelf wegcijferen .. (refereren naar jezelf)
.. een en al aandacht geven aan
de ander .. (refereren naar ander) OP NEGATIEVE WIJZE
.. steeds lief blijven .. (refereren naar relatie)
.. niet reageren bij aangevoeld
onrecht .. (refereren naar context)
.. je overtuigingen
verwaarlozen .. (refereren naar kader)
of is voor je
lief zijn :
.. dat toelaten waar je je goed bij voelt .. (refereren
naar situatie)
.. jezelf ook tot zijn recht
laten komen .. (refereren naar jezelf)
.. aandacht verdelen tussen
jezelf en de ander .. (refereren naar ander) OP POSITIEVE WIJZE
.. lief zij zo het kan, grenzen
stellen zo nodig .. (refereren naar relatie)
.. waarmee te maken tot zijn
recht laten komen .. (refereren naar context)
.. wat je voorstaat weten
integreren in je omgang .. (refereren naar kader)
Naargelang je refereert naar de
concrete situatie aan de oppervlakte, of dieperliggend naar jezelf, de ander,
je relatie, de omgevingscontext of je opvattingskader
zul je op een andere manier, bijvoorbeeld, lief zijn.
Dit refereren kan op een negatieve manier, door het element waarnaar je refereert
te nemen zoals het is en er juist weinig of geen aandacht en zorg aan te
besteden. In feite door waar je naar refereert op een of ander manier te
negeren of te verwaarlozen en niet te refereren naar wat je in ruil wilt.
Verwaarloos je een situatie van
misbruik, laat je je gebruiken, ben je bang je
relatie op de helling te zetten, wil je je eigen
verleden vergeten, wil je geen rekening houden met wat je belangrijk vindt dan
kom je vaak slecht uit. Dit kan je soms te laattijdig ervaren.
Dit refereren kan evenwel ook op een positieve wijze : door aandacht en zorg te besteden aan
de verschillende elementen.
In je lief zijn geef je
aandacht aan de concrete situatie door deze op orde te willen krijgen. Dit kan
je met andere woorden aan de oppervlakte, maar ook meer dieper gelegen als
volgt. In je lief zijn geef je aandacht aan jezelf om jezelf niet te laten
gebruiken, laat staan misbruiken. In je lief zijn geef je aandacht aan de ander
door de ander te betrekken in het zoeken van een oplossing. In je lief zijn geef
je aandacht aan je relatie, juist omwille ervan wil je iets oppakken, uitpraten
en geregeld krijgen. In je lief zijn geef je aandacht aan je context, wat
gebruikelijk is voor elk wil je niet zomaar loslaten of uitsluiten. In je lief
zijn geef je aandacht aan je kader, wat essentieel voor je is
wil je zo goed mogelijk tot expressie en realisatie laten komen.
Naargelang in wat je hoe tenslotte zegt en doet kan je afleiden naar wat prioritair
gerefereerd wordt en wat niet aan bod of niet tot zijn recht komt. Ben je
eerder pragmatisch of ben je vrij principieel.
De invulling en
begrenzing van eigen denken en doen - wat is lief zijn wel, wat niet, hoe is lief zijn wel, hoe niet - en aan wat hierbij
aandacht schenken en wat laten meetellen, kan je zo je wilt ook vanuit een
ontwikkelingsperspectief bekijken. Vanuit bepaalde onderzoekshoek (Kohlberg) komt dan naar voor dat er in de leeftijd van vier
tot tien jaar enkel aandacht is voor en een rekening houden is met de realiteit
- waarin zich wat aan de orde is, afspeelt - en met mogelijke gevolgen en
reacties erin. Lief
zijn om het nadeel dat het bespaart. Vervolgens is er aandacht voor en een rekening houden met eigen
behoeften en met wat iemand zelf tegemoet komt. Lief zijn om het voordeel dat het oplevert. In de leeftijd van tien
tot dertien jaar zou er eerst aandacht zijn voor en rekening houden zijn met de
ander, zijn houding en reactie tegenover je. Lief zijn om de ander te plezieren. Vervolgens zou het gaan
om aandacht voor en rekening houden met groepsverwachtingen en -afspraken om de
bestaande verhouding of relatie niet te verstoren. Lief zijn omdat we dit van
elkaar verwachten en verhopen. Vanaf de adolescentie zou er dan bij de invulling en begrenzing
van zijn denken en doen vanuit zichzelf aandacht zijn voor en rekening houden
zijn met de brede context. Lief zijn omdat dit nu eenmaal hoort en gewaardeerd wordt in de
samenleving en je hiermee zelf wilt rekening houden. En dit zou kunnen
evolueren in het zelf op de voorgrond plaatsen van en afwegen aan een zich
eigen gemaakt meer universeel referentiekader. Zonder liefde kan je niet en
kom je niet echt tot leven, tot die ontdekking ben je zelf gekomen.
Dit zou kunnen
betekenen dat in iemands zeggen en doen opeenvolgend elementen naar voor komen
en centraal staan die er achtereenvolgens toe leiden dat iemand doet wat geen
problemen oplevert in de realiteit, doet wat iemand voldoening geeft, doet wat
aanvaard wordt door anderen, doet wat overeenstemt met regels en aanwezige
ordening, doet wat iemand zelf in overeenstemming vindt met de brede
leefomgeving en tenslotte doet wat iemand zelf oké
vindt. Op een vraag zal dan opeenvolgend ingegaan worden (of niet ingegaan
worden) om problemen in de realiteit te vermijden, als iets in ruil wordt bekomen, om de ander te plezieren, om zich aan de regels te
houden, om zelf te beantwoorden aan de sociale realiteit, om te beantwoorden
aan de eigen realiteit. Dus opeenvolgend voor iets in de realiteit, de sociale
realiteit en de persoonlijke realiteit.
Vooral de opeenvolgende
motivaties van iemands oordeel en handelen staan in deze ontwikkelingsopvatting
centraal. Waar aanvankelijk tussen vier en tien jaar iemands oordeel en reactie
gemotiveerd wordt door geen aanvaring met de realiteit, wordt deze vervolgens
gemotiveerd door een tegemoetkomen aan eigen behoeften. Vanaf tien jaar tot
dertien jaar wordt dan iemands oordeel en reactie gemotiveerd door geen
aanvaring met anderen, vervolgens door geen aanvaring met regels en ordening in
de groep. Vanaf de adolescentie is de motivatie voor oordeel en handelen
mogelijk te vinden in het zelf willen tegemoetkomen aan de brede context om tenslotte mogelijk uit te monden in een motivatie vanuit een
eigen referentiekader. Belangrijk is uiteraard bij deze opvatting vast te
stellen dat het gaat om wat bij onderzoek in diverse landen meestal wordt
teruggevonden. Deze bevindingen hangen mogelijk erg samen met aanwezige
opvoedingspatronen, wat betekent dat andere opvoedingspatronen andere
resultaten zouden kunnen opleveren. Wat erg tot nadenken kan aanzetten, gezien
uit het onderzoek blijkt dat weinigen het postconventionele adolescenten-niveau
(vanuit en voor of omwille van zichzelf en de anderen) bereiken en de meesten blijven steken in een pre-
(voor of omwille van zichzelf) en conventioneel (voor of omwille van de ander) niveau.
Vanuit een
ontwikkelingsperspectief kunnen de opeenvolgende aandacht en zorg voor, het opeenvolgend voorkomen en vermijden van, het opeenvolgend
waarom heen van het oordelen en de reactie alzo gezien als opeenvolgende
ontwikkelingstaken voor het kind, waarvoor ouders de nodige ondersteuning en
begeleiding kunnen bieden. Zo kan het
kind evolueren van een leren kennen en passend reageren op concrete situaties,
over een leren kennen van eigen gevoelens, gedachten, verlangens en zichzelf en
hier passend op reageren en mee omgaan, over een leren kennen van gevoelens,
gedachten en verlangens van anderen en wie anderen zijn en hier passend op
inspelen, over een leren aangaan van en onderhouden van relaties, over een zich
leren organiseren en beantwoorden aan de levenscontext, tot een op basis van
eigen reflectie kunnen komen tot een eigen oriëntatie. Hierbij aansluitend zou voor de
opeenvolgende taken van gedragscompetentie-ontwikkeling
opeenvolgend vooral het waarnemen, herkennen, aanvoelen, willen, zich
voorstellen en denken aangesproken worden overeenkomstig
hun reeds gevorderde opeenvolgende psychische competentie-ontwikkeling.
In relatiesituaties, vooral
wanneer deze conflictueus zijn of problematisch, kan men merken dat men meer of
minder geneigd is te refereren naar zekere van deze vermelde elementen. Dit
levert dan vier mogelijke interactie- en communicatie-patronen op binnen een drie-assig
voorstellingsmodel :

de horizontale as van de assertiviteit: met aandacht en zorg voor
kwestie & aandacht en zorg voor zichzelf
de verticale as van de coöperatie met aandacht en zorg voor de
ander & aandacht en zorg voor de relatie
de diepte as van de solidariteit en de universaliteit met aandacht en zorg voor de
context & aandacht en zorg voor het (referentie)kader
. Wordt wederzijds enkel
aandacht besteed aan assertiviteit dan ontstaat er vaak ruzie en komt men
gemakkelijk tot een vechterige
reactie.
. Wordt enkel aandacht besteed
aan coöperatie dan komt men gemakkelijk tot een volgen of een zich schikken
naar de ander en zijn verwachtingen en niet falen, wat leidt tot een zich aanpassende reactie.
. Wordt noch aan een voor zich
opkomen voor zichzelf, noch aan een goed samenspel aandacht besteed,
dan vervalt men tot een uiteen staan, een niet meer kunnen of willen bespreken
of oppakken van iets, wat leidt tot een wederzijds
vermijdende reactie.
. Door zowel
zorg te besteden aan jezelf en wat aan de orde is en aan de ander en je relatie
kan via exploratie van problemen en mogelijke
oplossingen en een overleggen en onderhandelen erover gekomen worden tot een
samenwerkende (re)actie. Wat uiteindelijk op termijn het meeste kansen
inhoudt. Zeker als ook met aanwezige tradities en gewoonten wordt rekening
gehouden en met wat elk nastrevenswaardig en waardevol vindt. Zo kan je
meervoudig refereren. Deze zorg voor jezelf en de
ander kan onder meer blijken uit interesse en betrokkenheid. Best kan elkaar vooraf wederzijds de garantie gegeven worden dat aan
elk van de elementen en dus aan elk minimaal voldoende tegemoet zal gekomen
worden. Onderweg kan dan gezocht en gestreefd worden de
elementen en dus elk maximaal tot zijn recht te laten komen. Zo kan voor
elk de bedreiging weggenomen en kan vertrouwen opgebouwd.
Welke elementen
komen hierna aan bod en welke niet, bij het assertief zijn en bij het
discussiëren. Kan je ze optimaliseren door aandacht en zorg voor de ontbrekende
of verwaarloosde elementen :

Laat je je
hierbij vooral leiden door :
. wat
je waarneemt wat hoe is
als feit of fictie
. wat
je herkent wat hoe kan
als oké of niet oké
. wat
je voelt wat hoe te zijn
als samen of individueel
. wat
je wilt wat hoe gebeurt
als werkzaam of niet werkzaam
. wat
je je voorstelt wat
hoe mag als recht of
onrecht
. wat
je denkt wat je hoe vindt
als juist of onjuist
Zowel in wat je wilt bereiken
(wat iets is) als in de manier waarop (hoe iets is) kan je refereren
naar een of meerdere van de vernoemde elementen. Deze referentiepunten
kan je dan gebruiken als oriëntatiepunten die de richting aangeven of als
eindpunten als wat te bereiken. Het gaat dan om de mate waarin iets hoe waar te
maken. Deze mate zal gemakkelijk de intensiteit en soepelheid bepalen waarmee
iets te willen bereiken.
Fragment uit 'Oog voor jezelf en de ander !
Praktische gids voor sociaal-emotionele vaardigheidsontwikkeling voor
volwassene en jongere'. Een uitgave van Psychcom-research
v.z.w.
Het referentieel
werkmodel is een rijk gevarieerde en veelzijdige werkvorm die inzetbaar is in
verschillende domeinen, gaande van opvoeding en vorming, over begeleiding,
programmering en organisatie, tot hulpverlening en therapie. Zij kan zowel in
problematische als niet problematische situaties aangewend worden. Ze biedt een
geheel van inzichten en methoden in een samenhangend geheel geïntegreerd. Ter
introductie werd in de tekst hiervoor één facet ervan belicht.
@ copyright Psychcom-research v.z.w.