7.3. Advies van het gemeentebestuur Mortsel inzake de milieuvergunningsaanvraag

 

Gemeentebestuur Mortsel

UITTREKSEL UIT HET REGISTER VAN DE BESLISSINGEN van het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN

Aanwezig: W.DEHAEN, burgemeester-voorzitter,

VAN DEN BROECK-HAMMENECKER, H. VAN DRIESSCHE-POOTERS, A. JESPERS, I.VERNIEUWE, E.BROECKX en R. LIBERT, schepenen,

J.PEETERS, gemeentesecretaris.

Zitting van 27.12.1999

B.1. Vlarem - Internationale Luchthaven Antwerpen - 9000/99/2/3 . Luchthavenlei te 2100 Deurne/ Antwerpen - de exploitatie van een internationale luchthaven - ongunstig advies.

HET COLLEGE NEEMT KENNIS VAN:

De vraag om advies vanwege het Provinciebestuur d.d. 10 november 1999 met referentie 2/MV/MLAV1/9900000397/LDS/lh-;

Het verslag d.d. 23 december 1999 van de heren E. Mertens, milieuambtenaar en M. Ampe, stedenbouwkundige met volgende overwegingen en opmerkingen;

OVERWEGINGEN EN OPMERKINGEN:

Aangezien bij de aanvraag geen enkel bouwvergunningsbesluit werd gevoegd; dat bijlage 10 enkel het 'voorste blad' van een vergunningsbesluit (datum niet gekend) van een aanvraag van 02.03.1998 voor de bouw van een douanekantoor omvat; dat o.m. voor volgende recent opgerichte constructies geen bouwvergunningen gekend zijn:

1. controletoren: nieuw prefab-verdieping (1994)

2. loods voor grote vliegtuigen (blok B103) en de kantoren ten noorden hiervan (zou in concessie zijn - VLM)

3. gebouw ten zuiden van Blok D106: prefab HOB-Units: kantoor en opvang

4. gebouw ten zuid-westen van douanegebouw

5. twee masten van Belgocontrol

6. rolbaan 'B'

7. grasbaan

8. loods ten noorden van de 'Rolbaan G'

9. meteopost langs Krijgsbaan (niet aangeduid op liggingsplan)

10. reliefwijziging langs Krijgsbaan

11. kerosine-opslagplaats B.P.

12.aanpassing westzijde startbaan.

Dat rekening gehouden met het feit dat binnen deze gebouwen een belangrijk deel van de vergunningsplichtige activiteiten plaatsvinden, de aangevraagde activiteiten niet kunnen worden vergund zolang er geen duidelijke uitspraak is over alle vergunningsplichtige werken (al dan niet regularisatie) en zolang geen geldige bouwvergunning is afgeleverd.

Overeenkomstig het gewestplan Antwerpen, goedgekeurd bij K.B. van 03.10.1979 is de inrichting gelegen in een gebied dat bestemd is als luchtvaartterrein. Overeenkomstig art. 7 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften wordt gesteld dat mocht het ophouden als vliegveld te worden gebruikt, dan krijgt het gebied de bestemming van parkgebied.

Het vliegveld paalt langs de oostzijde (Borsbeek - Mortsel) aan een agrarisch gebied; ten noorden (Deurne) aan een woongebied en recreatiegebied; ten westen aan een woongebied en langs de zijde spoorweg aan een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen (Amedeus-ziekenhuis) en een recreatiegebied.

Het goed is m.b.t. het grondgebied MORTSEL niet gelegen binnen de omschrijving van een Algemeen en Bijzonder Plan van Aanleg.

Het gewestplan Antwerpen gaat uit van een herbestemming en het groene vingerconcept rond de grootstad. De groene vinger is het gebied vanuit Ranst doorlopend tussen Borsbeek en Mortsel en eindigend in fort 3 en de luchthaven van Deurne. In afwachting van de afbakening van het grootstedelijk gebied blijft het wenselijk dat nu reeds acties worden ondernomen (zoals herbestemmingen, inrichting, enz.) om deze groene vinger te vrijwaren.

De toekomst van de luchthaven is een problematiek die op Vlaams niveau zal worden bepaald. Het Vlaams gewest zal ook het luchthavengebied afbakenen binnen het af te bakenen grootstedelijk gebied Antwerpen. De afbakening moet echter nog gebeuren. Wanneer is onduidelijk.

In ieder geval dient in functie van de nabestemming van het gewestplan (thans de enige juridisch geldende bestemming) het open karakter van deze ruimte worden gewaarborgd.

Indien uitgegaan wordt van een optimalisering van de luchthaven moet dit gepaard gaan met een actieplan en met investeringen gericht op de 'verbetering' van de inpassing van het vliegveld in zijn ruime omgeving, doch binnen de grenzen zoals afgebakend in het gewestplan. Hierbij moeten het concept van groene vinger, de realisatie van een grootstedelijk park (naast en ten zuiden van het vliegveld) en de beperking van hinder de belangrijkste uitgangspunten zijn. Indien de verdere uitbouw en optimalisering van de luchthaven- en van de luchtvaartgebonden voorzieningen en bedrijvigheden wenselijk wordt geacht, kan dit slechts op zeer beperkte schaal gebeuren (binnen de grenzen van het gewestplan) waarbij rekening moet worden gehouden met de zeer beperkte draagkracht van deze ruimte. In ieder geval zijn hiervoor duidelijke compenserende maatregelen nodig.

Een uitbreiding (verlenging startbaan) zou sowieso leiden tot een aantasting van het concept van de groene vinger en een grotere belasting voor de omgeving.

In ieder geval moeten de nodige maatregelen genomen worden om een vermindering van de geluidsbelasting voor omwonenden te verzekeren.

Bij de beslissing in dit dossier dient rekening gehouden te worden met de destijds goedgekeurde visie van het gewestplan nl. na het verdwijnen van de luchthaven moet deze plek een grootstedelijk park worden.

Niettegenstaande de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan, dient bij de beoordeling van deze aanvraag in redelijkheid worden nagegaan of het behoud en de verdere exploitatie binnen het verstedelijkt gebied nog verantwoord is. Belangrijke elementen zijn geluidshinder, vliegbewegingen, sportvliegen.

Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, zoals herhaaldelijk gewijzigd, hiernagenoemd het 'Besluit'.

Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag wordt vermeld dat het hier gaat over de exploitatie van een nieuwe inrichting en van een inrichting die na wijziging of aanvulling van indelingslijst vergunningsplichtig wordt (start- en landingsbaan voor vliegtuigen): dat de exploitant tijdens het plaatsbezoek van 13 december mondeling bevestigt dat er tot op heden geen enkele milieu- of exploitatievergunning bekomen werd.

Overwegende dat er tijdens het openbaar onderzoek 1 mondeling en 7 schriftelijke bezwaren, ondertekend door in totaal 21 personen werden ingediend; dat deze bezwaren betrekking hebben op volgende punten:

Gelet op art.2.2.1.1 van het Besluit; dat hierin gesteld wordt dat ter beoordeling van het specifiek geluid van een inrichting de in bijlage 2.2.1 van het Besluit aangegeven waarden door de vergunningsverlenende overheid als richtwaarden dienen gebruikt te worden; dat deze voor woongebieden zijn vastgesteld op 45 dB(A) (tussen 7 en 19u), 40 dB(A) (tussen 19 en 22u) en 35 dB(A) (tussen 22u en 7u); dat deze waarden ook als milieukwaliteitsnormen voor het omgevingsgeluid in open lucht worden aanzien;

Gelet op art.2.1.2 van het Besluit; dat de vergunningsverlenende overheid maar ook de overheid in het algemeen, hier ook als exploitant van de inrichting, rekening moet houden met de milieukwaliteitsnormen bij het plannen en realiseren van haar beleid;

Overwegende dat er voor de exploitatie van een start- en landingsbaan voor vliegtuigen (rubriek 57) geen normen voor het specifiek geluid afkomstig van de exploitatie van deze inrichting zijn vastgesteld; dat de vergunningsverlenende overheid bij de behandeling van milieuvergunningsaanvragen voor dit type van inrichtingen daarom rekening moet houden met enerzijds de milieukwaliteitsnormen voor geluid zoals vastgesteld in bijlage 2.2.1 van het Besluit en anderzijds met het aantal potentieel sterk gehinderde personen zoals berekend overeenkomstig art.5.57.1.2 van het Besluit;

Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag wordt vermeld dat de luchthaven in gebruik is van 6u30 tot 23u;

Gelet op het rapport "Het opstellen van geluidscontouren voor de regionale Vlaamse luchthavens' dd.31/1/1998 opgesteld door het laboratorium voor akoestiek en thermische fysica van de Katholieke Universiteit Leuven (KUL) in opdracht van de Vlaamse milieumaatschappij (VMM) in het kader van de opstelling van het Milieu- en Natuurrapport Vlaanderen, verder het Rapport genoemd; dat dit document voltooid is maar niet bij de aanvraag gevoegd werd; dat dit document onontbeerlijk is om een evaluatie te kunnen maken van de milieu-impact van deze inrichting op de omgeving; dat in dit Rapport de LDN-contouren voor de luchthaven Antwerpen worden berekend zoals bedoeld in art.5.57.1.2 §1.1 van het Besluit alsook de LAeq,dag contouren zoals bedoeld in art.5.57.1.2 §1.2 van het Besluit; dat op pag. 34 tabel 18 van het Rapport wordt vermeld dat het aantal potentieel sterk gehinderde personen zoals bedoeld in art.5.57.1.2. van het Besluit wordt berekend op 1.920 personen; dat het aantal potentieel matig gehinderde personen wordt berekend op 7.079 personen;

Overwegende dat de LAeq,dag waarden kunnen beschouwd worden als berekende waarden voor het specifiek geluid afkomstig van deze inrichting; dat in de LAeq,dag contourzone van +55 dB(A) 7840 personen wonen (pag.28 tabel 7 van het Rapport);dat de contourzone van 35, 40 of 45 dB(A) niet berekend en dus ook niet gekend zijn;

dat wel kan aangenomen worden dat er binnen deze laatste contourzones nog veel meer personen wonen; dat deze personen allemaal in min of meerdere mate hinder kunnen ondervinden omdat het berekend specifiek geluid van de inrichting in dat gebied hoger is dan de richtwaarden vermeld in bijlage 2.2.1 van het Besluit;

Overwegende dat de VZW Milieu en Veiligheid in opdracht van de exploitant van de luchthaven (ministerie van de Vlaamse gemeenschap, departement LIN, afdeling wegen en verkeer, dienst personenvervoer en luchthavens) in januari 1999 een beperkte milieu-impactstudie-MilieuEffectenRapport heeft opgesteld, verder MER genoemd; dat dit document voltooid is maar niet bij de aanvraag gevoegd werd; dat dit document onontbeerlijk is om een evaluatie te kunnen maken van de milieu-impact van deze inrichting en een eventuele uitbreiding op de omgeving;

Overwegende dat op pag.78 van het MER wordt vermeld dat in de woonwijken in de onmiddellijke omgeving van de luchthaven in 1996 gemiddeld 78 opstijgende vliegtuigen per dag werden geteld die ter plaatse (immissie) een berekend gemiddeld geluidsdrukniveau van 75 tot 80 dB(A) per opstijgend vliegtuig veroorzaken en gemiddeld 6 toestellen per dag die een gemiddeld geluidsdrukniveau van meer dan 85 dB(A) produceren; dat er bovendien ongeveer evenveel toestellen per dag landen waarbij de gemiddelde geluidsdrukniveau's meestal tussen 75 en 90 dB(A) zijn gelegen (gemiddeld 2 maal per dag tussen 90 en 95 dB(A)); dat dit berekende waarden zijn, op basis van gemiddelde geluidsdrukniveau's van representatieve vliegtuigtypes per groep, daar er tot op heden geen praktisch bruikbare geluidsmetingen over voldoende lange termijn zijn uitgevoerd; dat bij de berekening geen rekening is gehouden met omgevingsfactoren als windrichting, temperatuur, luchtvochtigheid, invloed van gebouwen,... en de situatie op sommige plaatsen en momenten erger of beter kan zijn dan berekend

Overwegende dat het aantal vliegbewegingen voor de internationale luchthaven Antwerpen werd vastgesteld op 61.182 per jaar (in 1996, zie pag.16 van het Rapport); dat bijna 75% van deze vliegbewegingen werd uitgevoerd met vliegtuigen met een gewicht van 2 ton of minder (zie pag. 20 van het Rapport); dat dit de zogenaamde 'sportvliegtuigen' zijn; dat het aantal vliegbewegingen mede bepalend is voor het geproduceerde lawaainiveau in de omgeving (LAeq,dag contouren); dat men zich kan afvragen of deze toestellen thuis horen op een "internationale luchthaven';

Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag (bijlage 4) vermeld wordt dat de luchthaven vooral bedoeld is voor lijnvluchten naar bv. Londen, Genève en Amsterdam, charters, intercontinentale vluchten, taxi- en zakenvluchten en ook voor commerciële vluchten (inclusief medische vluchten), trainings- en touringvluchten;

Overwegende dat op blz.34 van het MER vermeld wordt dat de commerciële vluchten ook de zogenaamde lokale commerciële vluchten als demonstratie-, publiciteitsvluchten en luchtdopen omvatten (11.118 bewegingen voor lokale commerciële vluchten in 1997); dat hier vermeld wordt dat de touringvluchten (10.958 bewegingen in 1997) ondernomen worden 'met het oog op het ondernemen van een plezierreis"; dat de commerciële vluchten, trainings- en touringvluchten ondernomen worden met de zogenaamde 'sportvliegtuigen' en dat dit dus duidelijk vluchten zijn met een recreatief karakter; dat deze vorm van luidruchtige recreatie aan de rand van de agglomeratie Antwerpen niet meer op zijn plaats is;

Overwegende dat men zich kan afvragen of het uitvoeren van trainingsvluchten voor leerling-piloten boven een dicht bevolkte agglomeratie geen onnodig hoge risico's met zich meebrengen (30.079 bewegingen in 1997 of 1/2 van het totaal aantal bewegingen);

Overwegende dat de lijn- en zakenvluchten, nochtans de hoofdactiviteit voor een internationale (zaken)luchthaven, in verhouding slechts een geringe betekenis hebben (11.539 bewegingen in 1997 of 1/6 van het totaal aantal bewegingen; inmiddels nog minder omdat er drie luchtvaartmaatschappijen hun lijnvluchten hebben stopgezet);

Overwegende dat de exploitant en de gebruikers van de luchthaven in het verleden reeds herhaaldelijk gesteld hebben dat de luchthaven in zijn huidige vorm niet geschikt is voor lijnvluchten naar verre bestemmingen, charters en intercontinentale vluchten en onrendabel is omdat de startbaan te kort is; dat deze stelling door de exploitant tijdens het plaatsbezoek van 13 december 1999 mondeling bevestigd werd;

Dat een verlenging van de startbaan niet gewenst is;

Overwegende dat deze milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op de luchthaven in zijn huidige vorm (incl. de lengte van de huidige startbaan); dat men zich bijgevolg de vraag kan stellen of de (geluids)hinder veroorzaakt door de exploitatie van deze inrichting nog te verantwoorden valt door het geringe economisch belang dat aan de exploitatie ervan verbonden is (de luchthaven is, zoals eerder door exploitant en gebruiker gesteld, in zijn huidige vorm onrendabel);

Overwegende dat de HST (Hoge SnelheidsTrein), na voltooiing van het net, een volwaardig alternatief zal vormen voor verplaatsingen naar alle omliggende landen en een snelle en comfortabele verbinding met de luchthaven Brussel-Nationaal zal mogelijk maken: dat de HST in dat geval als BBT-alternatief (Best Beschikbare Technieken) voor de exploitatie van de internationale luchthaven Antwerpen kan aanzien worden;

Overwegende dat uit voorgaande kan besloten worden dal de exploitatie van de luchthaven ernstige hinder veroorzaakt voor duizenden omwonenden en onder de huidige vorm onrendabel is en hoofdzakelijk gebruikt wordt voor recreatieve vluchten en trainingsvluchten; dat de exploitatie van de inrichting bijgevolg zowel vanuit milieutechnisch, bedrijfseconomisch en stedenbouwkundig-planologisch opzicht dient beëindigd te worden; dat er bijgevolg geen vergunning kan worden verleend voor het deel van de inrichting, ingedeeld onder rubriek 57-1-1° (de start- en landingsbaan);

Overwegende dat de exploitatie van alle andere in de milieuvergunningsaanvraag vermelde inrichtingen onlosmakelijk verbonden is met het al dan niet vergund zijn van de rubriek 57.1.1°; dat er derhalve ook geen vergunning kan worden verleend voor alle inrichtingen die in de milieuvergunningsaanvraag vermeld worden;

Overwegende dat de 2 transformatoren (nominaal vermogen 400 kVA per stuk) als nieuwe inrichtingen moeten worden beschouwd en overeenkomstig art.5.12.0.2 van het Besluit niet mogen gebruikt worden daar zij PCB-houdende stoffen bevatten;

Gelet op art.5.17-^4 van het Besluit; dat de opslag van gevaarlijke vloeistoffen in enkelwandige metalen ondergrondse houders slechts is toegelaten indien dit door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen is aanvaard; dat dit moet blijken uit een attest dat is opgesteld door voornoemde milieudeskundige; dat de exploitant niet over dergelijke attesten beschikt; dat deze tanks niet voorzien van een lekdetectiesysteem en een overvulbeveiliging; dat er bijgevolg geen vergunning kan worden verleend voor de opslag van 3.000 liter afvalolie en tweemaal 10.000 liter stookolie (tank B1 en B2);

Overwegende dat in de aanvraag wordt vermeld 2/3 van het bedrijfsafvalwater wordt geloosd op de zogenaamde "Zwarte Beek"; dat dit overeenkomstig het verslag van de dienst waterbeleid van de provincie Antwerpen dd. 19/10/99 (ref.GWKL'9500000004/JVD) een niet geklasseerde waterloop betreft; dat de Luchthavenlei en vosstraat van openbare riolering met aansluiting op een RWZI (zone A) voorzien zijn en dat alle afvalwater dus in de openbare riolering moet geloosd worden; dat noch het debiet noch de samenstelling van het afvalwater kunnen gemeten worden;

Overwegende dat het bedrijfsafvalwater grotendeels uit hemelwater bestaat; dat het afkoppelen van het niet-verontreinigd hemelwater noodzakelijk is; dat de afvoer naar de Zwarte Beek op dit moment geen zin heeft daar het water van de Zwarte Beek verderop in de openbare riolering terecht komt (mondelinge informatie stad Antwerpen); dat er op het terrein van de luchthaven de waterloop nr.5 (oude atlas) loopt en deze naar verluid via ondergrondse leidingen in de vijver van het park Boekenberg te Deurne terecht komt en bijgevolg bruikbaar is voor de afvoer van niet-verontreinigd hemelwater;

Overwegende dat op basis van het voorgaande de aangevraagde lozing van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewateren niet kan worden vergund; dat het bedrijfsafvalwater integraal in de openbare riolering moet worden geloosd: dat het niet-verontreinigd hemelwater afzonderlijk moet worden opgevangen en moet worden afgevoerd naar een oppervlaktewater (mogelijkheid waterloop nr.5 onderzoeken).

Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag geen vergunning wordt gevraagd voor de opslag of het verdelen van kerosine (vliegtuigbrandstof); dat deze activiteit onlosmakelijk verbonden is met de exploitatie van een luchthaven; dat tijdens het plaatsbezoek werd meegedeeld dat de opslag en verdeling van kerosine in concessie is gegeven aan Air BP (afdeling BP-Belgium); dat BP hiervoor over een eigen exploitatievergunning ARAB klasse 1 beschikt {verleend in 1989, geldig tol 12/10/09); dat er nog verschillende andere concessiehouders vergunningsplichtige activiteiten uitvoeren zoals onderhoud van vliegtuigen, hel opslaan en verdelen van brandstof,...: dat sommige onder hen hiervoor over een exploitatievergunning beschikken; dat de exploitant op onze vraag niet kan meedelen welke activiteiten door de concessiehouders worden uitgevoerd en of zij daarvoor allemaal over een milieu- of bouwvergunning beschikken; dat deze activiteiten allemaal onlosmakelijk verbonden zijn aan de exploitatie van de luchthaven en hel geheel daarom als een milieutechnische eenheid zoals bedoeld in art.1-1-2 van het Besluit moet beschouwd en behandeld worden; dat deze aanvraag nu niet als dusdanig behandeld wordt; dat het verlenen van een concessie de eigenaar van hel terrein niet vrijstelt van alle verantwoordelijkheid;

Overwegende dat de stookinstallaties moeten voldoen aan de luchtemissievoorwaarden voor nieuwe inrichtingen; dat de stookinstallaties er allemaal tussen de 2 en 5 jaar of langer staan; dat het bijgevolg twijfelachtig is of deze installaties aan de strenge normen voor nieuwe installaties kunnen voldoen: dat de exploitant geen enkel bewijsstuk kan leveren dat dit mogelijk is;

Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag geen vergunning wordt gevraagd voor het gebruik van de grasstartbaan (lengte 1.107m) en deze dus in de toekomst niet verder zal geëxploiteerd mogen worden; dat de exploitant tijdens hef plaatsbezoek op 13 december 1999 mondeling heeft meegedeeld dal de exploitatie van de grasstartbaan moet verder gezet worden;

EN BESLUIT:

ongunstig advies te verlenen over deze aanvraag.

NAMENS HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN:

De gemeentesecretaris De burgemeester-voorzitter

 

(Get.) J. Peeters (Get.) W. Dehaen

 

Terug naar Index